Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-30
ECLI:NL:RBDHA:2023:16560
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,173 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23688
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam],
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 2001 en de Syrische nationaliteit heeft. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 augustus 2023 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en M. Fayez als tolk Arabisch. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland hiervoor op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is.
3. Eiser vindt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag niet onverplicht wil overnemen met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft hierbij gewezen op de aanwezigheid van zijn broer in Nederland en op hun gedeelde ervaringen en trauma's. De staatssecretaris heeft deze argumenten niet kenbaar meegewogen in zijn besluit.
4. De staatssecretaris heeft een grote mate van beslissingsvrijheid bij de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. Deze bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid.
5. De staatssecretaris stelt terecht dat niet zonder meer een verplichting bestaat om rekening te houden met gezinsbanden die niet al door de overige bepalingen van de Dublinverordening worden beschermd. De staatssecretaris heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat hij alleen in uitzonderlijke gevallen van artikel 17 van de Dublinverordening gebruik maakt voor het bijeenhouden van het gezin. Weliswaar is de Dublinverordening er op gericht om gezinsleden zoveel mogelijk bij elkaar te houden, maar de Dublinprocedure is niet bedoeld voor reguliere gezinshereniging.
6. De staatssecretaris heeft terecht overwogen dat eiser de familieband met zijn broer niet aannemelijk heeft gemaakt. Alleen al om deze reden hoeft de staatssecretaris hiermee geen rekening te houden. Daarnaast heeft de staatssecretaris met het op de toepassing van artikel 16 van de Dublinverordening al gemotiveerd dat niet is gebleken dat eiser en zijn broer afhankelijk zijn van elkaar.
7. Met de vaststelling dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden zoals bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening, heeft de staatssecretaris het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Eiser heeft ook in beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die niet bij de totstandkoming van het bestreden besluit zijn betrokken.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de staatssecretaris in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) nr. 604/2013 van 26 juni 2013.