Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-30
ECLI:NL:RBDHA:2023:16290
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,587 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23287
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Georgische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. C. Verbaas).
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving, niet verschenen.
Overwegingen
1. Op 27 juli 2023 heeft de Eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel, een proces-verbaal van gehoor opgemaakt (M110) waarin is vermeld dat aan eiser een terugkeerbesluit zal worden opgelegd. Op diezelfde dag, 27 juli 2023, is eiser vervolgens een terugkeerbesluit opgelegd.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit omdat hij zich niet kan vinden in het opgelegde terugkeerbesluit.
3. Verweerder heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een printscreen van het informatiesysteem Indigo van 12 oktober 2023, op 12 oktober 2023 bericht dat eiser op 7 augustus 2023 is vertrokken. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk dien te worden verklaard wegens ontbreken procesbelang nu door de gemachtigde van eiser geen antwoord is gegeven op de door de rechtbank gestelde vragen van 13 oktober 2023 omtrent het verblijf en contact met eiser. Het standpunt in het verweerschrift van 12 oktober 2023, namelijk dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn terugkeerbesluit nu hij is vertrokken en dus gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekplicht is vervallen. Ook is ter zitting naar voren gebracht dat er geen inreisverbod is opgelegd en dat eiser, indien hij ooit terugkeert naar Nederland, indien gewenst, familie en/of vrienden hier te lande kan bezoeken.
Beoordeling
4. De rechtbank zal, gelet op de informatie van verweerder zoals vermeld onder 3. beoordelen of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
4.1.
De rechtbank heeft op 13 oktober 2023 de gemachtigde van eiser, met het oog op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) verzocht om gemotiveerd aan te geven of er nog contact wordt onderhouden met eiser, of hij weet waar eiser verblijft en of met eiser nog contact is over de verdere voortgang van deze procedure en de keuzes die in dat kader moeten worden gemaakt.
4.2.
Op 16 oktober 2023 heeft de gemachtigde van eiser bericht dat er nog wel procesbelang is omdat eiser noodgedwongen en tegen zijn wil Nederland heeft moeten verlaten en zijn familie hier te lande moet achterlaten. Het terugkeerbesluit is ten onrechte opgelegd.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit moet worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2090) volgt dat wat hiervoor is overwogen ook geldt voor een bij een asielbesluit uitgevaardigd inreisverbod.
6. Niet in geschil is dat eiser op 7 augustus 2023 is vertrokken. Gemachtigde van eiser heeft in zijn reactie van 16 oktober 2023 geen antwoord gegeven op de op 13 oktober 2023 door de rechtbank gestelde vragen omtrent onder andere het contact met eiser over de verdere voortgang van deze procedure en de keuzes die in dat kader gemaakt moeten worden. De gemachtigde van eiser is ook niet ter zitting verschenen. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen prijs meer stelt op een beoordeling van zijn beroep tegen het terugkeerbesluit dat (enkel) inhoudt dat hij dient terug te keren naar een land buiten Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland, te weten het door eiser opgegeven land van herkomst, Georgië, binnen vier weken. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
.
Zie uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.