Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:15991
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,704 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.25727
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van 19 september 2023 tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 27 augustus 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, via een beeldverbinding, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. De maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had de staatssecretaris eiser moeten wijzen op de mogelijkheid om beroep in te stellen en gratis rechtsbijstand te krijgen?
4. Eiser betoogt dat de staatssecretaris hem schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs had kunnen worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte had moeten brengen van de redenen van bewaring en van de mogelijkheid om, zo nodig met gratis rechtsbijstand, daartegen in beroep te gaan. Omdat de staatssecretaris dit ten onrechte niet heeft gedaan, is er volgens eiser sprake van een schending van artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 200) die moet leiden tot de opheffing van de maatregel van bewaring.
4.1.
De staatssecretaris stelt dat het onnodig is om een extra document uit te reiken aan de vreemdeling, tijdens het gehoor wordt met behulp van een tolk al voldoende uitgelegd over de mogelijkheid om beroep in te stellen en rechtsbijstand te krijgen. Volgens de staatssecretaris moet dit daarom leiden tot een belangenafweging die in het voordeel van de staatssecretaris uitvalt, zonder dat aanleiding bestaat om aan eiser een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris niet heeft voldaan aan zijn verplichting uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vb 2000. Het is namelijk niet gebleken dat eiser schriftelijk en in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs had kunnen worden aangenomen dat hij deze verstaat op de hoogte is gesteld van de gronden van de maatregel van bewaring en de mogelijkheid om daartegen met gratis rechtsbijstand in beroep te gaan. De rechtbank is van oordeel dat dit echter niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank weegt daarin mee dat eiser door het gebrek feitelijk niet in zijn belangen is geschaad, omdat hij na het opleggen van de maatregel van bewaring alsnog beroep heeft ingesteld tegen deze maatregel. Verder heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd naar aanleiding waarvan kan worden geoordeeld dat eiser zodanig in zijn belangen is geschaad dat de maatregel niet kan voortduren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 februari 2020, blijkt dat bij het passeren van een gebrek op grond van een belangenafweging een proceskostenveroordeling moet plaatsvinden, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. In dit geval is er geen sprake van bijzondere omstandigheden en ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
5. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb 2000, als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5.1.
Eiser betoogt dat de staatssecretaris de zware grond 3a niet mocht tegenwerpen, omdat deze grond onvoldoende is gemotiveerd. Eiser betoogt dat er alleen een vermoeden bestaat dat hij op illegale wijze Nederland is ingereisd. Het enkele vermoeden daarvan, door het ontbreken van een inreisstempel, is onvoldoende om deze grond tegen te werpen. Bovendien heeft eiser de Amerikaanse nationaliteit en hij heeft daarom geen visum nodig om de Europese Unie in te reizen.
5.2.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de onbetwiste zware gronden 3b en 3i feitelijk juist zijn. De zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser zich niet heeft gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. Hiermee heeft hij zich enige tijd onttrokken aan het toezicht op vreemdelingen. Ook de zware grond 3i is feitelijk juist. Eiser heeft zelf verklaard niet mee te willen werken aan zijn overdracht naar Duitsland. Hiermee heeft hij te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Volgens rechtspraak van de Afdeling is het voor de zware gronden 3b en 3i voldoende dat deze feitelijk juist zijn om door de staatssecretaris ten grondslag gelegd te kunnen worden aan de maatregel van bewaring. De staatssecretaris heeft deze gronden daarom terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Deze gronden kunnen de maatregel dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd, kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de staatssecretaris voortvarend gehandeld?
6. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Eiser betoogt dat er te veel tijd zit tussen het ontvangen van het claimakkoord van Duitsland op 4 september 2023 en de daadwerkelijke overdracht op 15 september 2023. Aangezien het een overdracht aan de grens betreft is een periode van 11 dagen te lang.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat de eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. Op 31 augustus 2023, de vierde dag van de inbewaringstelling, is een vertrekgesprek gevoerd. De staatssecretaris heeft dus voldoende voortvarend gehandeld. Verder staat de overdracht gepland op 15 september 2023. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris, gegeven de administratieve verwerking van het claimverzoek, de inhoudelijke beoordeling daarvan en de organisatie van de overdracht, enige tijd mag worden gegund.
Had de staatssecretaris een lichter middel moeten opleggen?
7. Eiser voert aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser betoogt dat hij psychische klachten heeft en daarom detentie onevenredig bezwarend is voor hem. Er had een meldplicht opgelegd moeten worden. Verder meent eiser dat de toelichting voor het niet opleggen van een lichter middel matig is.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich, gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het risico bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling is volgens de staatssecretaris terecht te groot. Bovendien is er rekening gehouden met de medische gesteldheid van eiser bij het bepalen van zijn detentiegeschiktheid.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig was en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9.1.
Omdat de rechtbank onder 4.2 een gebrek in de maatregel van bewaring heeft geconstateerd, moet de staatssecretaris de proceskosten van eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 837,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, in aanwezigheid van mr. N. El Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Eiser wijst ter onderbouwing op Rb. Den Haag (zp. Roermond) 1 mei 2023, ECLI:NLRBDHA:2023:6242.
Rb. (zp. Arnhem) Den Haag 23 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8993.
ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:594.
ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
ABRvS 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.
ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:594.