Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:15958
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,516 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31746
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 21 juni 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank op 6 oktober 2023 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder bij brief van 10 oktober 2023 een reactie op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 oktober 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 augustus 2023, zaaknummer NL23.20801, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 26 juli 2023, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Kennisgeving
4. Eiser merkt allereerst op dat het digitale dossier niet de uitspraak over het eerste beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring bevat, waardoor eiser niet kan controleren of de kennisgeving door verweerder is verzonden binnen de daarvoor geldende termijn.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder de kennisgeving heeft verzonden binnen een periode van 75 dagen zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Op 1 augustus 2023 is immers uitspraak gedaan op het eerste beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring. De kennisgeving is dan ook tijdig verzonden.
Zicht op uitzetting
6. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Hij zit al bijna vier maanden in bewaring en er is geen aanknopingspunt dat binnen een redelijke termijn een laissez-passer zal worden afgegeven.
7. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid sprake is van zicht op uitzetting naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269. De enkele omstandigheid er nog geen laissez-passer is afgegeven binnen een periode van bijna vier maanden is onvoldoende voor de conclusie dat in eisers individuele geval geen zicht op uitzetting bestaat. Verder rust op eiser de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan zijn uitzetting. Uit de verslagen van de vertrekgesprekken, met name het vertrekgesprek van 5 oktober 2023, volgt dat eiser zich volstrekt passief opstelt en niet meewerkt aan zijn terugkeer. Er zijn door eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat aan hem geen laissez-passer zal worden afgegeven als hij wel aan zijn verplichting tot medewerking voldoet. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
8. Eiser voert verder aan dat verweerder niet voortvarend genoeg handelt door alleen schriftelijke rappels te versturen aan de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder had volgens eiser bij het Marokkaanse consulaat moeten aandringen op een presentatie in persoon.
9. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit het voortgangsrapport en het digitale dossier blijkt dat verweerder sinds de sluiting van het onderzoek in het laatste beroep vier vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd (laatstelijk op 5 oktober 2023) en drie keer heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten (laatstelijk op 21 september 2023). Uit de brief van verweerder van 10 oktober 2023 blijkt verder dat per brief van 20 september 2023 extra aandacht is gevraagd voor de zaak van eiser bij het Marokkaanse consulaat. Verweerder handelt daarmee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
Ambtshalve toets
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.