Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:15919
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
879 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/3461
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats 1], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: V. Boender-Wiebenga).
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2019 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen aan eiser voor het plaatsen van een dakkapel aan de achterzijde van de woning op het perceel [adres] [nummer] in [woonplaats 2].
Bij besluit van 18 september 2019 heeft het college het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 oktober 2020, SGR 19/6923, heeft de rechtbank het door eiser daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 september 2019 vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Bij besluit van 31 maart 2021 heeft het college opnieuw besloten op het bezwaar van eiser. Het college heeft het bezwaar wederom ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het college heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. De rechtbank heeft bij brief van 20 juni 2022 aan eiser medegedeeld dat de Afdeling op 20 april 2022 uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep van het college tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2020. In die uitspraak geeft de rechtbank ook een oordeel over het bestreden besluit van 31 maart 2021, waartegen eisers beroep zich richt. Dit betekent dat er voor de rechtbank geen taak meer is weggelegd. Daarom is bij de brief van 20 juni 2022 een intrekkingsformulier meegestuurd. Bij brieven van 3 augustus 2022 en 28 oktober 2022 heeft de rechtbank eiser verzocht een schriftelijke reactie toe te sturen.
3. Eiser heeft hierop niet gereageerd.
4. De rechtbank is van oordeel dat zij onbevoegd is om het beroep tegen het besluit van 31 maart 2021 in behandeling te nemen. Dat besluit was immers van rechtswege onderdeel van het hoger beroep van het college bij de Afdeling.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Het betaalde griffierecht van € 181,- wordt door de griffier aan eiseres terugbetaald.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van E. Rietbroek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021.