Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:15820
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,484 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31461
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum]
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 28 juli 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2023 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is op het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. Eiser heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Tevens is een tolk verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 september 2023 (in de zaak NL23.23740) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 1 september 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser stelt zich – samengevat weergegeven - op het standpunt dat de voortzetting van de bewaring onrechtmatig is. Eiser voert hiertoe aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat, dat de maatregel disproportioneel is, dat er met een lichter middel dient te worden volstaan en dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Daarnaast stelt eiser asiel te willen aanvragen in Ter Apel.
4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt en dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De staatssecretaris heeft sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 5 september 2023 en op 25 september 2023 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank overweegt verder dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het geval van eiser anders over te oordelen. Van eiser mag verwacht worden dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Doordat eiser blijft weigeren medewerking te verrichten aan de afgifte van zijn vingerafdrukken, belemmert eiser zijn uitzetting. In beginsel is daarmee het zicht op uitzetting al gegeven. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet.
4.1
Voorts overweegt de rechtbank dat eisers stelling dat hij asiel wil aanvragen, en daarvoor enkel naar Ter Apel wenst te gaan, het voorgaande niet anders maakt. Desgevraagd heeft eiser ter zitting verklaard vanuit detentie geen asiel te willen aanvragen. Om die reden wordt eisers verklaring asiel aan te willen vragen in Ter Apel in deze procedure buiten beschouwing gelaten.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet overtuigend gesteld dat een lichter middel effectief zal zijn. Niet gebleken is dat de voortduring van de bewaring onevenredig bezwarend is. De rechtbank is niet gebleken dat de in detentie beschikbare zorg voor eiser niet toereikend is, dat eiser niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan, of dat eisers gestelde psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg verslechteren. Eiser heeft daartoe geen medische stukken ter onderbouwing overgelegd.
6. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van
I. Wolthuis, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde uitspraak op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:747.
Zoals volgt uit de Afdelingsuitspraken van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85, en van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162.