Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2023:15762
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,852 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.19772
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. E.G. Angela).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster na de afwijzing van haar aanvraag om een visum.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 juni 2023 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, T. Bahta als tolk en de gemachtigde van verweerder. Verder waren voor verzoekster [naam 1] en [naam 2] aanwezig.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter ziet in het verzoek aanleiding om een ‘voorwaardelijke voorziening’ te treffen. Deze voorziening houdt in dat verweerder, als hij niet binnen zes weken na de datum van deze uitspraak alsnog een besluit heeft genomen en bekendgemaakt over het bezwaar van verzoekster, haar na deze zes weken moet behandelen alsof hij haar het aangevraagde visum heeft verleend. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom hij deze voorziening treft.
3. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een zogeheten faciliterend visum. Zij is in Ethiopië en wil zich bij haar in Nederland verblijvende kinderen voegen. Het gaat er in deze procedure met name om dat zij zich zo snel mogelijk bij haar jongste zoon [naam 3] wil voegen. [naam 3] heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster heeft bij haar aanvraag een schriftelijke verklaring van een ambulant gezinsbegeleider overgelegd waaruit blijkt dat het niet goed met hem gaat en hij zijn moeder nodig heeft. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag en gesteld dat ze op grond van artikel 20 van het VWEU en het Chavez-arrest voor [naam 3] naar Nederland mag komen. Ze vraagt de voorzieningenrechter nu om te bepalen dat verweerder haar alsnog het gevraagde faciliterend visum verleent.
4. Het besluit waarmee verweerder de aanvraag van verzoekster heeft afgewezen is een kruisjesformulier. Als reden voor de afwijzing is aangekruist dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat is bedoeld dat de zorgtaken van eiseres voor [naam 3] en de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en [naam 3] niet voldoende zijn aangetoond. Een verdere toelichting heeft hij daarbij niet gegeven. Na ontvangst van het bezwaarschrift van verzoekster heeft verweerder haar bericht dat hij binnen twaalf weken - dit is de reguliere termijn plus een verdaging van zes weken - een besluit zal nemen over haar bezwaar. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij niet kan zeggen wanneer de behandeling van het bezwaar kan plaatsvinden en wanneer dat besluit zal worden genomen.
5. De voorzieningenrechter constateert dat de termijn voor het nemen van een besluit over het bezwaar van verzoekster inmiddels op 11 oktober 2023 is verstreken. En het is dus niet duidelijk wanneer dat besluit alsnog komt.Verder ziet de voorzieningenrechter, anders dan verweerder op zitting heeft betoogd, wel degelijk een spoedeisend belang bij een snelle komst van verzoekster naar Nederland. De voorzieningenrechter ziet geen reden om te twijfelen aan het beeld dat de ambulant gezinsbegeleider geeft van [naam 3] en zijn belang bij een snelle komst van zijn moeder. Naast de bij de aanvraag al overgelegde verklaring van de ambulant gezinsbegeleider van 13 december 2022, heeft verzoekster in deze procedure een aanvullende, ondersteunende verklaring van deze begeleider van 17 juli 2023 overgelegd. De vraag is echter of het spoedeisend belang van verzoekster zo groot is dat dit het treffen van de gevraagde voorziening rechtvaardigt. De gevraagde voorziening - de opdracht aan verweerder om verzoekster alsnog het gevraagde faciliterend visum te verlenen - heeft geen voorlopig karakter en is daarom verstrekkend. En al blijkt uit de ingebrachte informatie dat de situatie van [naam 3] precair is, de voorzieningenrechter leest daarin niet dat die situatie zo precair is dat zijn moeder nu direct naar Nederland moet kunnen komen. Tegelijk vindt de voorzieningenrechter het vanwege deze precaire situatie niet aanvaardbaar dat verweerder niet kan zeggen wanneer hij alsnog een besluit zal nemen over het bezwaar van verzoekster, terwijl de maximale wettelijke beslistermijn is verstreken. De voorzieningenrechter kan een termijn stellen om alsnog een besluit te nemen, maar hij vindt dat in deze situatie niet voldoende. Hoewel hij niet twijfelt aan de inzet van de medewerkers van verweerder, leert de praktijk dat ook het stellen van een nadere beslistermijn met daaraan verbonden een dwangsom, vaak niet leidt tot het gewenste resultaat. Omdat de verplichting om een besluit te nemen over het bezwaar van verzoekster ook zonder het stellen van een nadere beslistermijn onverkort geldt, vindt de voorzieningenrechter het passend om in deze situatie een voorwaardelijke voorziening te treffen. Verweerder krijgt alsnog zes weken de tijd om een besluit te nemen over het bezwaar van verzoekster. Als hij dat besluit niet tijdig neemt, moet hij verzoekster behandelen alsof hij haar het gevraagde faciliterend visum heeft verleend.
Conclusie
6. De voorzieningenrechter treft de voorziening zoals onder 2 omschreven.
7. Omdat verzoekster is vrijgesteld van de betaling van griffierecht, hoeft verweerder dat niet te vergoeden.
8. Wel krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 837,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.674,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat verweerder, als hij niet binnen zes weken na de datum van deze uitspraak alsnog een besluit heeft genomen en bekendgemaakt over het bezwaar van verzoekster, haar na die zes weken moet behandelen alsof hij haar het aangevraagde faciliterend visum heeft verleend;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354.