Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:15659
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,031 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23458
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. van Akenborgh),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als het beroepschrift geen gronden bevat. De rechtbank moet wel eerst een mogelijkheid tot herstel bieden.
2. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden. Daarom heeft de rechtbank bij bericht in het digitale dossier van 17 augustus 2023 eiser verzocht binnen vijf werkdagen, welke termijn is gebaseerd op het procesreglement, de gronden van beroep in te dienen. Ook is aan eiser hierbij medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Pas op 8 september 2023 heeft eiser de gronden ingediend. Daarmee is de gestelde termijn van vijf werkdagen overschreden.
3. De gemachtigde van eiser heeft kenbaar gemaakt de herstelverzuimtermijn over het hoofd te hebben gezien dan wel ten onrechte in de veronderstelling te hebben verkeerd de gronden al te hebben ingediend. In deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
4. Volgens vaste jurisprudentie moet de bestuursrechter bij te laat ingediende beroepsgronden steeds beoordelen of er aanleiding bestaat aan niet-ontvankelijkverklaring van dat beroep voorbij te gaan, ingeval er bijzondere feiten en omstandigheden zijn als bedoeld in het arrest Bahaddar. Daarvan is sprake als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod schendt, als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Als dat het geval is, dan moet niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege blijven.
5. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, gelet op de inhoud van het dossier, echter in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke situatie zich voordoet. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat de verklaringen van eiser duidelijke indicaties zijn dat niet eiser, maar eisers vader vanwege zijn politieke activiteiten in de negatieve belangstelling staat. Ook heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de vrees van eiser dat de politie naar hem op zoek is, gebaseerd is op vermoedens. Verweerder heeft ook niet ten onrechte gesteld dat eiser op grond van zijn afkomst niet heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2023 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.