Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-02-13
ECLI:NL:RBDHA:2023:1530
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,408 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2964
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: A. van Lieshout),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), verweerder
(gemachtigde: M.A. Brouwer).
Inleiding
Het UWV heeft de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegewezen en eiser een loongerelateerde uitkering in verband met Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 60,69%.
In bezwaar is het UWV bij dit besluit gebleven. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 59,2%.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van 28 april 2022.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en met twee rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Wat ging aan deze procedure vooraf
1. Eiser heeft voor het laatst gewerkt als baliemedewerker voor gemiddeld 38,05 uur per week. Terwijl eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich op 18 november 2019 ziekgemeld in verband met gezondheidsklachten. Het UWV heeft daarop aan eiser ziekengeld op grond van de Ziektewet toegekend.
2. Eiser heeft een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet WIA gedaan. Het UWV heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Wat vindt het UWV
3. Het UWV vindt dat eiser op 15 november 2021 voor 59,2% arbeidsongeschikt is en heeft daarom besloten om de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 15 november 2021 toe te kennen.
4. Het UWV heeft de medische grondslag van het bestreden besluit gebaseerd op het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts B&B) van 4 april 2022. De medische belastbaarheid van eiser is opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 april 2022. In beroep heeft het UWV op basis van de rapporten van een verzekeringsarts B&B van 21 juli 2022 en 11 oktober 2022 geconcludeerd dat het beroepschrift geen aanleiding geeft om aan de medische grondslag van het besluit te twijfelen.
5. Het UWV heeft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit gebaseerd op het rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige B&B) van 19 april 2022.
Wat vindt eiser
6. Eiser is het niet eens met het UWV. Hij stelt, kort samengevat, dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de urenbeperking niet voldoende is. Hij vindt dat onvoldoende rekening is gehouden met comorbiditeit van zijn klachten, met de revalidatie waarmee hij kort na de datum in geding is begonnen en met zijn medicijngebruik. Ook vind eiser het onderzoek onzorgvuldig, onder andere doordat geen of onvoldoende fysiek onderzoek is verricht naar zijn schouderklachten. Verder vindt eiser de geduide functies ongeschikt. Tot slot stelt hij dat het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard.
Wat vindt de rechtbank
7. De vraag is of het UWV terecht stelt dat eiser 59,2% arbeidsongeschikt is. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiser daartegen in heeft gebracht. Belangrijk punt is dat het gaat om de medische toestand van eiser op 15 november 2021 en de vraag welke beperkingen daaruit volgen.
8. De rechtbank vindt dat het UWV terecht heeft beslist dat eiser op 15 november 2021 voor 59,2% arbeidsongeschikt is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Medische grondslag van het bestreden besluit
Het onderzoek
9. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts B&B heeft kennis genomen van het dossier en het bezwaar van eiser. Hij heeft eiser gezien en onderzocht op een spreekuur. Verder heeft hij informatie opgevraagd bij de behandelend cardioloog. Hij heeft deze informatie en de door eiser ingebrachte (medische) informatie meegenomen in zijn beoordeling. De rechtbank vindt ook dat de verzekeringsarts B&B op een zorgvuldige en duidelijke manier alle naar voren gebrachte klachten, te weten: de lichamelijke en psychische klachten ten gevolge van de cardiologische ingreep en de ADHD, heeft betrokken bij de medische beoordeling. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat verzekeringsarts B&B aspecten van de medische situatie van eiser heeft gemist.
10. Eiser stelt dat er geen of onvoldoende lichamelijk onderzoek is gedaan naar zijn schouderklachten. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen leidt de rechtbank af dat zij geen lichamelijk onderzoek hebben verricht. Maar volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een medisch onderzoek niet direct onzorgvuldig als er geen lichamelijk onderzoek is verricht. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 19 september 2021 blijkt dat over de schouderklachten is gesproken. Eiser heeft sinds de operatie last van zijn schouders. Eiser kan niet meer dan 5 kilo tillen en op de sportschool doet hij oefeningen met gewichten van 2 kilo. Hij heeft alleen last als hij de schouders overbelast. De verzekeringsarts heeft in de FML opgenomen dat eiser 5 kilo kan tillen, dat hij 2 kilo kan dragen en dat hij beperkt is voor boven de schouder actief zijn. De verzekeringsarts B&B heeft deze beperkingen overgenomen in de FML van 4 april 2022. Ook tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts B&B is over de schouderklachten gesproken. Eiser heeft verteld dat fysieke activiteiten niet fijn zijn voor zijn schouders en dat hij zijn armen niet meer krachtig kan gebruiken. De verzekeringsarts B&B heeft vervolgens een beperking toegevoegd voor frequent reiken in de FML. Gelet op het bovenstaande maakt de omstandigheid dat geen lichamelijk onderzoek is gedaan naar de schouderklachten van eiser, het onderzoek niet onzorgvuldig.
Beoordeling
11. De rechtbank is verder van oordeel dat de verzekeringsarts B&B de medische belastbaarheid van eiser op 15 november 2021 in het rapport op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd.
12. Eiser stelt dat een heldere uitleg over de forse verschillen tussen de rapporten van de verzekeringsartsen met betrekking tot de belastbaarheid ontbreekt. De rechtbank merkt hierover op dat de medische rapporten met betrekking tot de Ziektewet niet zien op de datum in geding. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts B&B hebben in het kader van de Wet WIA de belastbaarheid van eiser op 15 november 2021 vastgesteld. De rechtbank vindt het niet noodzakelijk dat de verzekeringsartsen de verschillen tussen eerdere medische Ziektewet rapporten verklaren indien zij de belastbaarheid van eiser op de datum in geding op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden hebben gemotiveerd. De belastbaarheid van eiser kan namelijk over de jaren zijn veranderd.
13. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 19 september 2021 gesteld dat eiser niet voldoet aan de criteria voor Geen Benutbare Mogelijkheden. Volgens de verzekeringsarts zijn er benutbare mogelijkheden en zij heeft dan ook een FML opgesteld. In deze FML heeft zij een urenbeperking van 30 uur per week, 6 uur per dag, aangenomen. De verzekeringsarts B&B heeft, gelet op zijn eigen waarnemingen en de actuele cardiologische parameters, de urenbeperking aangepast naar 20 uur per week, 4 uur per dag. Eiser stelt dat de urenbeperking van 20 uur per week niet past bij zijn belastbaarheid ten tijde van de datum in geding. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser onder andere naar het Protocol hartfalen en naar de NYHA classificatie. Uit de brief van de cardioloog van 11 maart 2022 volgt dat eiser wat betreft vermoeidheid is ingedeeld in de NYHA klasse 3/4 (lees: in klasse 3 van 4). In het Protocol hartfalen staat dat bij indeling in klasse 3 sprake is van ernstige energetische beperkingen, daarbij is de belastbaarheid voor arbeid sterk beperkt. Bij indeling in klasse 4 is er geen sprake van belastbaarheid voor werk. Volgens eiser is zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts B&B hieraan voorbij gegaan.
14. In het rapport van 21 juli 2022 stelt de verzekeringsarts B&B dat binnen de kaders van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid er sprake kan zijn van een medische urenbeperking vanwege energetisch geobjectiveerde redenen, preventieve redenen in samenhang met het voorgaande en redenen van verminderde beschikbaarheid bijvoorbeeld door intensieve behandeling. De verzekeringsarts B&B stelt dat conform deze standaard de urenbeperking is vastgesteld op gemiddeld vier uur per dag lichte arbeid. Dit is volgens de verzekeringsarts B&B ook conform het Protocol hartfalen. Hij stelt verder dat bij indeling in NYHA-klasse 3 bij vermoeidheid, er bij lichte lichamelijke inspanning sprake is van overmatige vermoeidheid. Ook stelt hij dat in het Protocol hartfalen bij NYHA klasse 3 wordt aangegeven dat, met alle daarbij behorende reserves vanwege het feit dat de classificatie feitelijk een momentopname is en kan variëren in de tijd, lichte arbeid mogelijk is indien er expliciet rekening gehouden wordt met duidelijke beperkingen op energetische gronden. Verder stelt hij dat de verzekeringsarts B&B op de datum in geding rekening heeft gehouden met energetische beperkingen van eiser en dat het beoordelingsgesprek heeft plaatsgevonden conform het Protocol hartfalen. De aspecten met betrekking tot lichamelijke en mentale symptomen zijn aan bod gekomen, evenals comorbiditeit, en er is informatie opgevraagd bij de cardioloog. De rechtbank vindt dat de verzekeringsartsen B&B de urenbeperking van 20 uur voldoende hebben gemotiveerd. En de verzekeringsarts B&B heeft in het rapport van 21 juli 2022 voldoende uiteengezet waarom deze urenbeperking ook conform het Protocol hartfalen is.
15. Verder stelt eiser dat de urenbeperking niet passend is bij de belastbaarheid gelet op de medicatie en het revalidatietraject. Eiser stelt dat de medicijnen metoprolol, pantoprolol, zopicion, spironlaction en perindopril moeheid en/of duizeligheid als bijwerking hebben. Volgens eiser heeft de verzekeringsarts B&B het medicijngebruik en de effecten daarvan niet in het onderzoek betrokken terwijl aannemelijk is dat het medicijngebruik tot extra moeheid leidt. De rechtbank constateert dat de verzekeringsarts B&B het dossier heeft bestudeerd en hij heeft dus ook de medicatielijst in het rapport van de verzekeringsarts van 19 september 2021 betrokken bij de medische beoordeling. Hij heeft ook expliciet gesproken over de betablokkers die eiser inneemt.
16. Daarnaast stelt eiser dat het revalidatietraject, dat drie maanden na de datum in geding is begonnen, tot een verdergaande urenbeperking had moeten leiden vanwege de impact van dit revalidatietraject en de beschikbaarheid. Volgens eiser was er ook een preventieve reden om de urenbeperking aan te passen, eiser leerde namelijk pas tijdens het revalidatietraject om zijn grenzen ze stellen. De verzekeringsarts B&B stelt in het rapport van 11 oktober 2022 dat de verzekeringsarts B&B conform de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid tot het oordeel is gekomen dat op de datum in geding voor gemiddeld vier uur per dag lichte arbeid mogelijk is. Binnen de kaders van deze standaard zijn ook de preventieve aspecten meegewogen. De rechtbank is het eens met de verzekeringsarts B&B dat een revalidatietraject van drie maanden na de datum in geding geen invloed heeft, omdat dan (nog) geen sprake is van verminderde beschikbaarheid en eventuele impact van het revalidatietraject.
17. Verder is eiser van mening dat ook de andere aspecten van de FML niet passen bij zijn belastbaarheid. Eiser acht zich door zijn ADHD meer beperkt dan door het UWV is aangenomen. Volgens hem hadden er beperkingen moeten worden opgenomen bij de items vasthouden en verdelen van de aandacht en werksituaties met veelvuldige storingen en onderbrekingen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een brief van een psychiater ingediend bij wie hij onder behandeling was voor zijn ADHD. In het rapport van 4 april 2022 stelt de verzekeringsarts B&B dat hij geen beperking in de FML opneemt voor het vasthouden en verdelen van de aandacht. Volgens hem is er geen stoornis die dat rechtvaardigt en daarnaast blijkt het ook onvoldoende uit zijn eigen waarnemingen en het dagverhaal van eiser. In het rapport van 11 oktober 2022 stelt de verzekeringsarts B&B dat de informatie van de psychiater niet tot een ander inzicht leidt. Volgens de verzekeringsarts B&B komen geen gegevens naar voren die leiden tot het aannemen van meer en/of andere beperkingen. Hij verwijst hierbij onder andere naar de GAF-score (Global Asessment of Functioning) van eiser in 2016 ten tijde van het ontslag van de psychiatrische behandeling. Daarbij stelt hij dat de in de FML aangegeven beperkingen geen letterlijke weergave zijn van de ervaren klachten en belemmeringen. De belastbaarheid wordt ook niet uitsluitend vastgesteld op basis van de diagnose en mogelijk nog te verrichten of lopende onderzoeken of behandelingen, maar deze is een weergave van de door de beoordelend arts vastgestelde belastbaarheid op basis van alle resultaten van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek. De rechtbank kan deze redenering volgen.
18. Ook is eiser van mening dat er een beperking had moeten worden opgenomen voor het item gassen en dampen. Ter onderbouwing verwijst hij naar het Protocol hartfalen. In dit protocol staat dat gassen en dampen predisponerende factoren zijn bij hartfalen. De verzekeringsarts B&B stelt in het rapport van 11 oktober 2022 dat conform het Protocol hartfalen binnen de rubriek fysieke omgevingseisen rekening is gehouden met de bestaande problematiek en de daarmee samenhangende factoren. Conform het protocol zijn volgens hem dan ook beperkingen aangenomen binnen deze rubriek voor wat betreft hitte en kou, werken in een omgeving met grote temperatuurswisselingen en werken in een vochtige omgeving.
Conclusie
26. Het UWV heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage in het bestreden besluit juist vastgesteld. Maar omdat het bezwaar ten onrechte niet gegrond is verklaard, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd (uitsluitend) voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat het bezwaar gegrond is.
27. Omdat in bezwaar geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn er in bezwaar geen kosten die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen. Wel veroordeelt de rechtbank het UWV in de door eiser in beroep gemaakt proceskosten, welke met inachtneming van het Bpb, worden vastgesteld op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 837,- per punt en een wegingsfactor 1). Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart moet het UWV ook het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit uitsluitend voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard;
herroept het primaire besluit;
bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,-; en
draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2023 door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. J.G.M. Koning, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1976.