Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:15294
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,584 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2959
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
eisers,
(gemachtigde: mr. S. Kalu-Mollema),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eisers hebben op 30 maart 2022 een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinsleden bij [naam] (referent) in het kader van nareis.
Bij brief van 17 november 2022 hebben eisers de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op hun aanvraag. Eisers hebben vervolgens op 31 januari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De staatssecretaris heeft in het besluit van 7 augustus 2023 (alsnog) de aanvraag van eisers ingewilligd.
De rechtbank heeft bij brief van 8 augustus 2023 eisers verzocht om binnen twee weken de rechtbank te informeren of de inwilligende beslissing aanleiding is om het beroep in te trekken. Eisers hebben niet gereageerd. De rechtbank leidt daaruit af dat het beroep wordt gehandhaafd.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. De staatssecretaris moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen (artikel 2u, eerste lid, Vw). De staatssecretaris heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken, dat eisers de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
5. Op 7 augustus 2023 heeft de staatssecretaris alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eisers. Gelet hierop is er voor de rechtbank geen aanleiding om conform artikel 8:55d, van de Awb te bepalen dat de staatssecretaris alsnog een besluit op het verzoek dient te nemen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid van de Awb.
6. De rechtbank stelt vast – en tussen partijen is niet in geschil – dat de staatssecretaris ten onrechte niet binnen de beslistermijn heeft beslist op de aanvraag van eisers.
7. In het alsnog genomen besluit heeft de staatssecretaris de hoogte van de bestuurlijke dwangsom die de staatssecretaris op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigd is vastgesteld. Gelet hierop is er voor de rechtbank geen aanleiding de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen. Het beroep is, voor zover gericht tegen het besluit van 7 augustus 2023, ongegrond.
8. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 augustus 2023, ongegrond;
veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.