Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-10
ECLI:NL:RBDHA:2023:15288
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
967 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27210
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Verzijden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 31 augustus 2023, waarin verweerder de asielaanvraag van eiser van 20 mei 2023 niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat eiser internationale bescherming geniet in Roemenië.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiser, tezamen met zaaknummer NL23.27211, op 5 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
3. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
4. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat eiser per 19 september 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank en de gemachtigde van eiser hebben de stukken waaruit dit blijkt ter zitting kunnen bekijken. In reactie op deze stukken heeft de gemachtigde van eiser ter zitting aangegeven dat hij sinds augustus 2023 geen contact meer heeft met eiser en dat hij geen contactgegevens van eiser heeft. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dat eiser aan het begin van de procedure aan zijn gemachtigde heeft laten weten dat deze het beroep moet voorzetten is, gelet op het voorgaande in het licht van het hier aan de orde zijnde toetsingscriterium, niet voldoende. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Vreemdelingenwet 2000
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579