Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-02
ECLI:NL:RBDHA:2023:15133
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,192 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29988
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: 287.246.2571
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 24 maart 2023 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft voortgangsgegevens overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 27 september 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5359. Vervolgens is er al vier keer eerder een vervolgberoep ingesteld. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:7294, 7 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10151, 21 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11092 en 24 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12903. Uit de laatstgenoemde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag lag, dat is 24 augustus 2023. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds dat moment de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld nu het laissez-passertraject bij de Marokkaanse autoriteiten nog niet heeft geresulteerd in uitzetting. Volgens eiser valt gelet op de duur van de bewaring ook niet te verwachten dat er binnen een redelijke termijn meer informatie wordt verkregen die uitzetting kan bespoedigen. Eiser stelt om deze redenen dat zijn belang om in vrijheid te worden gesteld moet prevaleren en de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten de nationaliteit en identiteit van eiser op 12 september 2023 hebben bevestigd en een laissez-passer hebben toegezegd. Vervolgens heeft verweerder een vluchtaanvraag verzonden en een akkoord ontvangen voor een vlucht op 3 oktober 2023. De vluchtgegevens zijn verzonden naar het consulaat-generaal van Marokko te Rotterdam. Daarnaast heeft verweerder op 6 september 2023 nog een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank maakt hieruit op dat er voortvarend aan de uitzetting van eiser wordt gewerkt en dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat uitzetting binnen een redelijke termijn niet mogelijk is.
6. Verder ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de (tenuitvoerlegging van de) maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Om die reden wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C., B. en X. tegen Nederland) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.