Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-26
ECLI:NL:RBDHA:2023:14625
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,728 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/8017
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. P. van der Meer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), verweerder
(gemachtigde: mr. M.A. Bakker).
Inleiding
Met het besluit van 26 februari 2021 (het primaire besluit I) heeft het UWV bepaald dat eiser vanaf 29 januari 2021 geen recht meer heeft op zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij vanaf 29 december 2020 gedetineerd is. Met het besluit van 14 september 2022 (het primaire besluit II) heeft het UWV bepaald dat eiser van 29 januari 2021 tot en met 28 februari 2021 ten onrechte WIA-uitkering heeft ontvangen en dat hij € 1694,31 moet terugbetalen.
In bezwaar is het UWV bij deze besluiten gebleven. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen deze beslissing op bezwaar van 8 november 2022 (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Wat ging aan deze procedure vooraf
1. Eiser ontvangt sinds 6 juni 2012 een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV heeft op 16 februari 2021 een detentiemelding ontvangen, waarin is aangegeven dat eiser sinds 29 december 2020 gedetineerd is.
2. Hierna heeft het UWV de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Wat vindt het UWV
3. Het UWV vindt dat eiser geen recht heeft op zijn IVA-uitkering gedurende de periode dat zijn vrijheid is ontnomen. Eiser was gedetineerd van 29 december 2020 tot en met 27 september 2021. Het UWV vindt dat de IVA-uitkering ten onrechte is betaald van 29 januari 2021 tot en met 28 februari 2021 en dat eiser daarom € 1694,31 moet terugbetalen. Het UWV ziet geen dringende reden om van invordering af te zien.
Wat vindt eiser
4. Eiser is het niet eens met het UWV. Hij stelt dat hij ten onrechte gedetineerd is geweest en dat hij wel recht had op zijn IVA-uitkering. Zijn veroordeling is nog niet onherroepelijk. Verder stelt eiser dat hem niet de gelegenheid is geboden om zijn bezwaar toe te lichten op een hoorzitting, terwijl hij daar wel om heeft verzocht. Eiser vindt dat zijn belangen en kwetsbare positie onvoldoende zijn meegewogen en doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiser zijn er wel dringende redenen om van de terugvordering af te zien. Door de financiële gevolgen zal eiser zijn huidige stabiele financiële situatie verliezen en hij vreest voor een verergering van zijn psychische klachten. Ook vindt eiser het onaanvaardbaar dat een mogelijk onterechte veroordeling deze schadelijke financiële en psychische gevolgen heeft. Eiser verzoekt om de terugvordering en invordering te schorsen, zolang zijn veroordeling niet onherroepelijk is. Ook verzoekt eiser om dat wat in bezwaar naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen.
Wat vindt de rechtbank
5. De vraag is of het UWV terecht de IVA-uitkering van eiser heeft ingetrokken per 29 januari 2021 en heeft beslist dat eiser € 1694,31 moet terugbetalen. De rechtbank moet die vragen beantwoorden aan de hand van wat eiser daartegen in heeft gebracht.
6. Voor zover eiser in zijn beroepschrift verwijst naar dat wat hij in bezwaar heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat het aan eiser is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar het bezwaarschrift wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiser zal dus moeten aanvoeren waarom hij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van het beroep plaatsen in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet in het licht van hetgeen in bezwaar is aangevoerd.
Terugvordering en herziening
7. De rechtbank stelt vast dat uit het bewijs van ontslag, afgegeven door de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, volgt dat eiser van 29 december 2020 tot en met 27 september 2021 ingesloten is geweest. Dat eiser gedurende deze periode feitelijk gedetineerd is geweest is niet in geschil.
8. In artikel 43, aanhef en onder d, van de Wet WIA is bepaald dat als uitsluitingsgrond voor het recht op de WIA-uitkering geldt dat betrokkene rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
9. Volgens artikel 44, eerste lid, van de Wet WIA is artikel 43, onderdeel d, van de Wet WIA niet van toepassing op:
a. de gevallen, bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten en in artikel 2.3 van de Wet forensische zorg; en
b. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een justitiële inrichting.
10. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser zijn vrijheid rechtens ontnomen is geweest. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat een van de situaties zoals genoemd in artikel 44, eerste lid, van de Wet WIA van toepassing is, waardoor artikel 43, onder d, van de Wet WIA niet toegepast zou moeten worden. Eisers voorlopige hechtenis is gebaseerd op de wet. Hierbij is het niet van belang is dat er nog geen onherroepelijke veroordeling heeft plaatsgevonden of dat de strafrechtelijke procedure uiteindelijk in een veroordeling eindigt. Uit de parlementaire stukken blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de ongelijke behandeling tussen rechtens van hun vrijheid beroofde werkenden en uitkeringsgerechtigden te beëindigen. Het wordt onwenselijk geacht dat gedetineerden een socialezekerheidsuitkering blijven ontvangen, terwijl in hun levensonderhoud al wordt voorzien door de Staat, en dat werkenden hun inkomen uit werk verliezen. Naast gevangenisstraf kan worden gedacht aan voorlopige hechtenis, uitleveringsdetentie of verblijf in een inrichting in het kader van TBS. De vraag of de voorlopige hechtenis terecht is geweest of niet, speelt geen rol in de ratio van de regeling.
11. Op de zitting heeft eiser uitgebreid verteld over zijn situatie, wat er allemaal in het verleden is gebeurd en over zijn (daaruit voortgekomen) grote wantrouwen richting de overheid en machthebbers. De rechtbank heeft eiser uitgelegd dat dit beroep niet gaat over de strafzaak. Wat eiser daarover vertelt, kan de rechtbank in deze zaak dan ook niet meenemen. Kennelijk heeft eiser cassatie ingesteld tegen zijn veroordeling door het Gerechtshof. De Hoge Raad zal hem op enig moment duidelijkheid geven over de vraagstukken die daar voorliggen.
12. Het UWV is op goede gronden ervan uitgegaan dat eiser gedetineerd is geweest en daarom over de periode van 29 januari 2021 tot en met 28 februari 2021 ten onrechte zijn IVA-uitkering heeft ontvangen. Het UWV was dan ook op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA in beginsel verplicht de onverschuldigd betaalde IVA-uitkering terug te vorderen. Artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is een dwingende bepaling. Slechts als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan een dringende reden slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en financiële consequenties die terugvordering voor een verzekerde heeft. Daarbij moet dan sprake zijn van een incidenteel geval waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en welke een individuele afweging van alle relevante omstandigheden noodzakelijk maakt.
Conclusie
18. Het UWV heeft terecht vastgesteld dat eiser vanaf 29 januari 2021 geen recht meer had op zijn IVA-uitkering, omdat hij gedetineerd was. Het UWV heeft dan ook terecht de onterecht uitbetaalde IVA-uitkering over de periode van 29 januari 2021 tot en met 28 februari 2021 teruggevorderd.
19. Het beroep van eiser is ongegrond. Dit betekent dat hij geen gelijk krijgt. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het UWV de door eiser gemaakte proceskosten moet vergoeden. De rechtbank stelt de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, waarde per punt € 837,- met een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet het UWV deze vergoeding betalen aan de gemachtigde. Ook moet het UWV het betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1674,-;
draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 26 september 2023 door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
IVA: Inkomensverzekering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
Zie uitspraak van de CRvB, van 18 juni 2004, rechtsoverweging 2.2.1 (ECLI:NL:CRVB:2004:AP4680)
Kamerstukken II 1997.1998, 26063, nr. 3, p. 13 en verder.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB, van 3 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:232.