Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:13749
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,120 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22362
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 7 oktober 2022, waarin de staatssecretaris aan eiser heeft meegedeeld dat hij het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken moet verlaten. Deze mededeling geldt als terugkeerbesluit.
1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris aan eiser een terugkeerbesluit mocht opleggen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is kennelijk ongegrond. De staatssecretaris mocht aan eiser een terugkeerbesluit opleggen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht de staatssecretaris aan eiser een terugkeerbesluit opleggen?
4. Het betoog van eiser dat het terugkeerbesluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de Terugkeerrichtlijn, slaagt niet. Eiser heeft namelijk niet toegelicht waarom hij het bestreden besluit hiermee in strijd vindt.
5. Eiser betoogt verder dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hoewel eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van het terugkeerbesluit heeft verklaard geen relatie te hebben, was er feitelijk wel sprake van een relatie. Eiser heeft dit echter verklaard, omdat de relatie op dat moment slecht was. Omdat er feitelijk wel sprake was van een relatie, is het terugkeerbesluit in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft te kennen gegeven hierover nog nadere informatie te zullen verstrekken.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de staatssecretaris bij het nemen van een terugkeerbesluit niet is gehouden om te beoordelen of de terugkeer van een vreemdeling in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De staatssecretaris stelt zich in het verweerschrift bovendien terecht op het standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij een relatie heeft. De enkele stelling dat eiser een relatie heeft, is namelijk onvoldoende en eiser heeft sinds het indienen van zijn beroepsgronden op 13 december 2022 ook geen nadere informatie over zijn gestelde relatie aan de rechtbank verstrekt, zodat het in deze procedure bij deze enkele stelling is gebleven.
Mocht de staatssecretaris een inreisverbod opleggen?
6. Voor zover eiser heeft willen betogen dat de oplegging van een inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM en de staatssecretaris daarom van de oplegging hiervan had moeten afzien, slaagt dat betoog niet. Uit het bestreden besluit volgt immers niet dat de staatssecretaris aan eiser een inreisverbod heeft opgelegd.
Conclusie
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het terugkeerbesluit in stand blijft. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eiser daarom ook niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dat staat in artikel 62a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2918, r.o. 8.