Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-04
ECLI:NL:RBDHA:2023:13699
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,018 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20300
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. Ligtvoet-van Tuijn),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 12 juli 2023, waarin de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser van 11 maart 2023 heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat eiser geen gronden van het beroep heeft ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser beroepsgronden ingediend?
3. Een beroepschrift moet beroepsgronden bevatten. Als een beroepschrift geen beroepsgronden bevat, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. De indiener van het beroepschrift moet dan wel eerst de gelegenheid hebben gehad om de beroepsgronden alsnog binnen een door de rechtbank gestelde termijn in te dienen.
3.1.
In zijn beroepschrift van 12 juli 2023 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat hij de beroepsgronden later zou indienen. De rechtbank heeft daarom op 13 juli 2023 tot en met 20 juli 2023 de gelegenheid geboden om dit te doen. Eiser heeft deze termijn ongebruikt laten verstrijken. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank daarna op 24 juli 2023 nog laten weten dat verschillende advocaten een negatief advies over het beroep aan eiser hebben uitgebracht. Zij heeft eiser tevens laten weten dat hij voor het verdere verloop van de procedure een andere advocaat moet zoeken. Nog los van het feit dat dit niet afdoet aan het feit dat eiser niet binnen de gestelde termijn beroepsgronden heeft ingediend, heeft zich daarna ook geen (andere) advocaat voor eiser gemachtigde gesteld.
Is er reden om aan de niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan?
4. Voordat de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaart, moet zij beoordelen of er reden is om aan een niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan. Dat is het geval als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar. De rechtbank ziet geen reden om deze bijzondere feiten en omstandigheden aan te nemen en gaat daarom niet voorbij aan de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser verder niet inhoudelijk behandelt. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eiser daarom ook niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dat staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Dat volgt uit artikel 6:6 van de Awb.
EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, r.o. 45.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20300
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. Ligtvoet-van Tuijn),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 12 juli 2023, waarin de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser van 11 maart 2023 heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat eiser geen gronden van het beroep heeft ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser beroepsgronden ingediend?
3. Een beroepschrift moet beroepsgronden bevatten. Als een beroepschrift geen beroepsgronden bevat, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. De indiener van het beroepschrift moet dan wel eerst de gelegenheid hebben gehad om de beroepsgronden alsnog binnen een door de rechtbank gestelde termijn in te dienen.
3.1.
In zijn beroepschrift van 12 juli 2023 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat hij de beroepsgronden later zou indienen. De rechtbank heeft daarom op 13 juli 2023 tot en met 20 juli 2023 de gelegenheid geboden om dit te doen. Eiser heeft deze termijn ongebruikt laten verstrijken. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank daarna op 24 juli 2023 nog laten weten dat verschillende advocaten een negatief advies over het beroep aan eiser hebben uitgebracht. Zij heeft eiser tevens laten weten dat hij voor het verdere verloop van de procedure een andere advocaat moet zoeken. Nog los van het feit dat dit niet afdoet aan het feit dat eiser niet binnen de gestelde termijn beroepsgronden heeft ingediend, heeft zich daarna ook geen (andere) advocaat voor eiser gemachtigde gesteld.
Is er reden om aan de niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan?
4. Voordat de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaart, moet zij beoordelen of er reden is om aan een niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan. Dat is het geval als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar. De rechtbank ziet geen reden om deze bijzondere feiten en omstandigheden aan te nemen en gaat daarom niet voorbij aan de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser verder niet inhoudelijk behandelt. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eiser daarom ook niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dat staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Dat volgt uit artikel 6:6 van de Awb.
EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, r.o. 45.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20300
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L.M. Ligtvoet-van Tuijn),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 12 juli 2023, waarin de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser van 11 maart 2023 heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat eiser geen gronden van het beroep heeft ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser beroepsgronden ingediend?
3. Een beroepschrift moet beroepsgronden bevatten. Als een beroepschrift geen beroepsgronden bevat, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. De indiener van het beroepschrift moet dan wel eerst de gelegenheid hebben gehad om de beroepsgronden alsnog binnen een door de rechtbank gestelde termijn in te dienen.
3.1.
In zijn beroepschrift van 12 juli 2023 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat hij de beroepsgronden later zou indienen. De rechtbank heeft daarom op 13 juli 2023 tot en met 20 juli 2023 de gelegenheid geboden om dit te doen. Eiser heeft deze termijn ongebruikt laten verstrijken. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank daarna op 24 juli 2023 nog laten weten dat verschillende advocaten een negatief advies over het beroep aan eiser hebben uitgebracht. Zij heeft eiser tevens laten weten dat hij voor het verdere verloop van de procedure een andere advocaat moet zoeken. Nog los van het feit dat dit niet afdoet aan het feit dat eiser niet binnen de gestelde termijn beroepsgronden heeft ingediend, heeft zich daarna ook geen (andere) advocaat voor eiser gemachtigde gesteld.
Is er reden om aan de niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan?
4. Voordat de rechtbank een beroep niet-ontvankelijk verklaart, moet zij beoordelen of er reden is om aan een niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan. Dat is het geval als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar. De rechtbank ziet geen reden om deze bijzondere feiten en omstandigheden aan te nemen en gaat daarom niet voorbij aan de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser verder niet inhoudelijk behandelt. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eiser daarom ook niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dat staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Dat volgt uit artikel 6:6 van de Awb.
EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, r.o. 45.