Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-29
ECLI:NL:RBDHA:2023:13629
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,820 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23241
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 4 augustus 2023 waarin de staatssecretaris de aan eiser bij besluit van 4 augustus opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft verlengd met toepassing van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000.. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, via een beeldverbinding, en de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser heeft afstand gedaan van zijn recht om gehoord te worden.
1.43.
Na de zitting heeft de staatssecretaris nog stukken overgelegd. De rechtbank laat deze stukken buiten beschouwing omdat deze geen aanleiding zijn voor heropening van het onderzoek.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het verlengen van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser .
3. Het beroep is ongegrond. Het verlengen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond vanartikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Viaartikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit.
4.1.
Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
Ziet de verstrekte laissez-passer op eiser?
5. De rechtbank stelt vast dat geen laissez-passer is toegevoegd aan het digitale dossier. De staatssecretaris heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de laissez-passer alleen toegevoegd kan worden met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht. Naar aanleiding hiervan de heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser gevraagd of hij ermee instemt dat de rechter kennisneemt van de laissez-passer. Na instemming heeft de rechter vervolgens vastgesteld dat een laissez-passer is verstrekt en dat deze op eiser ziet.
Had de staatssecretaris moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Eiser stelt dat er geen sprake van een risico op onderduiken.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat eiser in het kader van het lichter middel aanvoert zijn geen feiten of omstandigheden die voor de staatssecretaris aanleiding hadden moeten zijn om af te zien van het verlengen van de maatregel van bewaring. Dat eiser stelt dat geen sprake is van een risico op onderduiken vormt geen grond de verlenging van de bewaring onrechtmatig te achten. Eiser is namelijk eerder met onbekende bestemming vertrokken op 11 december 2020 en heeft zich niet gemeld terwijl er toen een meldplicht op hem rustte. Daarnaast heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats. Gelet hierop stelt de staatssecretaris zich terecht op het standpunt dat toepassing van een lichter middel niet volstaat om de beoogde uitzetting van eiser te verzekeren. Aan het belang van de staatssecretaris bij voortduring van de maatregel komt daarom meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij het opleggen van een lichter middel in de vorm van een meldplicht.
Slaagt de verwijzing naar de zienswijze?
7. Eiser heeft voor het overige verzocht dat wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de staatssecretaris hier in het verlengingsbesluit op in is gegaan en eiser deze gronden in beroep niet nader heeft toegelicht, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid vanmr.S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open.
De rechtbank heeft geen afstandsverklaring ontvangen van eiser, maar de gemachtigde van eiser heeft op de zitting bevestigd dat eiser afstand doet van zijn recht om gehoord te worden. De rechtbank acht dit voldoende.
Zie ook de voetnoot bij overweging 5.
De staatssecretaris heeft de laissez-passer na de zitting alsnog overgelegd. Gelet op wat hier is overwogen is dit geen aanleiding voor heropening van het onderzoek.
Omdat de gemachtigde van eiser hiermee heeft ingestemd is het stuk niet voorgelegd aan de geheimhoudingskamer om te beoordelen of beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.