Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:13502
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,007 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.25805
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit eindigt op 4 september 2023.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak buiten zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming eindigt op 4 september 2023. Dit betekent dat verzoeker vanaf 4 september 2023 geen aanspraak meer kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status tijdelijk beschermde. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoeker niet kan worden afgehandeld voordat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming eindigt. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om de gemeentelijke opvangvoorzieningen te laten voortduren en het recht om te mogen werken te behouden zwaarder dan het belang van verweerder om die voorzieningen per 4 september 2023 te beëindigen voordat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter zal dan ook bij wijze van ordemaatregel het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze.
4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 837 (1 punt voor het indienen van het
verzoekschrift met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat uitspraak is gedaan op het beroep (zaaknummer NL23.25804);
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 837 (achthonderdzevenendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in
geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht
tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de
opvang van deze personen.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan
van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn
2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
Algemene wet bestuursrecht.