Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-30
ECLI:NL:RBDHA:2023:13307
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,717 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23347
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 16 augustus 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 18 augustus 2023 heeft eiser de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 augustus 2023 een verweerschrift ingediend. Op 23 augustus 2023 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt vast dat de maatregel niet overeenkomstig de voorschriften van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is uitgereikt, nu deze niet schriftelijk is toegelicht in een taal die voor eiser begrijpelijk is en dat er dus sprake is van een gebrek. Dit leidt echter niet zonder meer tot de onrechtmatigheid van de maatregel. Immers, eiser heeft beroep kunnen instellen tegen de maatregel en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Daardoor is eiser door het gebrek niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank ziet dan ook aanleiding het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder terecht vastgesteld dat een concreet aanknopingspunt bestaat dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is. Verweerder is dan ook bevoegd om aan eiser op deze grondslag een maatregel van bewaring op te leggen.
4. Volgens verweerder bestaat er een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist de zware grond 3k. Volgens eiser heeft hij niet gezegd dat hij niet zal meewerken. Hij heeft aangegeven dat hij liever in Nederland blijft en dat hij met zijn jongere broer wil reizen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het proces-verbaal van het gehoor bij voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser geen medewerking heeft verleend bij een op 11 juli 2023 geplande overdracht aan Oostenrijk. Eiser is toen niet naar Schiphol vertrokken, omdat hij niet zonder zijn broer wilde reizen. De grond is daarom feitelijk juist.
6. Eiser betwist ook zware grond 3m. Daartoe wijst hij erop dat de verantwoordelijkheid van Oostenrijk al sinds 23 februari 2023 vaststaat en dat hij zich ook niet aan het toezicht heeft onttrokken nadat de eerder geplande overdracht niet was doorgegaan. Het is niet aan hem te wijten dat uiterste overdrachtsdatum nu in zicht komt. De rechtbank stelt vast dat de overdrachtstermijn is afgelopen op 23 augustus 2023 en dat gelet hierop de grond feitelijk juist is. Nu ook deze grond terecht is tegengeworpen, moet worden vastgesteld dat de maatregel berust op voldoende gronden. Hiermee is het aan te nemen risico op onttrekking door verweerder aangetoond. De overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden hoeven niet te worden besproken.
7. In de maatregel is voldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend is toe te passen. Eiser heeft eerder niet meegewerkt aan de overdracht op 11 juli 2023. Dat hij naar zijn zeggen niet zonder zijn broer wilde vertrekken, rechtvaardigde het vermoeden dat hij op 16 augustus niet zou hebben meegewerkt aan zijn overdracht. Het was immers niet bekend waar eisers broer toen verbleef.
8. Ook overigens bestaat er geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.