Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-26
ECLI:NL:RBDHA:2023:12827
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,596 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.17832 en NL23.17833
uitspraak van de enkelvoudige kamer / voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser/verzoeker], eiser / verzoeker
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 juni 2023 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1988 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Op 18 mei 2023 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Zwitserland asiel heeft aangevraagd. Volgens verweerder is Zwitserland daarom verantwoordelijk voor eisers asielaanvraag. Verweerder heeft eisers asielaanvraag daarom niet in behandeling genomen.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
3. Eiser is van mening dat ten aanzien van Zwitserland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat sprake is van systeemfouten in de opvangvoorzieningen. In Zwitserland is aan eiser een terugkeervergoeding aangeboden om terug te keren naar Algerije. Hij vreest daarom dat hij bij terugkeer naar Zwitserland geen opvang zal krijgen en op straat zal belanden. Dat hij eerder in Zwitserland wel opvang heeft gekregen, doet hier volgens hem niet aan af. Ook loopt hij bij terugkeer naar Zwitserland risico om te worden teruggestuurd naar Algerije, wat in strijd is met het beginsel van non-refoulement. De Zwitserse autoriteiten hebben hem namelijk medegedeeld dat hij Zwitserland moest verlaten. Daarnaast getuigt het gelet op eisers omstandigheden van onevenredige hardheid om hem over te dragen aan Zwitserland. Eiser heeft Algerije verlaten omdat hij homoseksueel is en vreest daarom bij terugkeer naar Algerije voor zijn leven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In beginsel mag verweerder ten aanzien van landen die aangesloten zijn bij de Dublinverordening uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten, in dit geval Zwitserland, zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland zulke ernstige tekortkomingen heeft dat eiser bij overdracht aan Zwitserland een risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd.
5. Verweerder heeft kunnen overwegen dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat de Zwitserse autoriteiten zich ten opzichte van hem eerder niet hebben gehouden aan hun internationale verplichtingen. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens zijn asielprocedure in Zwitserland, vanaf het moment dat zijn vingerafdrukken zijn afgenomen tot aan zijn vertrek uit Zwitserland, opvang genoten heeft. Verweerder heeft kunnen concluderen dat de terugkeervergoeding die aan eiser is aangeboden geen indicatie is dat hij bij terugkeer naar Zwitserland geen opvang zal genieten. Hiertoe is van belang dat Zwitserland met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser (verder) in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Verweerder heeft kunnen overwegen dat dit ook betekent dat er geen sprake zal zijn van uitzetting naar Algerije in strijd met het beginsel van non-refoulement.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder geen bijzondere individuele omstandigheden aanwezig heeft hoeven zien die maken dat eisers overdracht getuigt van onevenredige hardheid. Ten aanzien van eisers gestelde homoseksualiteit heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser zijn asielmotieven heeft kunnen aangeven, of aan kan geven, bij de Zwitserse autoriteiten. Verweerder heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien om de behandeling van eisers aanvraag naar zich toe te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Conclusie
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Dit geldt ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit verzoek moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
Dictum
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak op het beroep, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.