Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:12659
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,540 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.23873
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Procesverloop
Op 21 september 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij besluit van 24 juni 2021 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft op 21 december 2021 (NL21.10517) geoordeeld dat het beroep gegrond is en dat verweerder een nieuw besluit moet nemen.
Eiser heeft verweerder op 23 juni 2022 in gebreke gesteld omdat verweerder nog niet op zijn asielaanvraag had beslist. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Bij uitspraak van 28 oktober 2022 (NL22.13551) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit, vernietigd. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om uiterlijk binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Verder heeft de rechtbank bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor iedere dag dat deze beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
Op 22 november 2022 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Op 30 januari 2023 is alsnog een besluit genomen op zijn asielaanvraag.
Op 1 februari 2023 heeft eiser zijn beroep ingetrokken en een verzoek gedaan om een proceskostenveroordeling.
De rechtbank heeft het verzoek op 25 juli 2023 op zitting behandeld. Hier zijn verschenen eiser, mr. D. van Elp als waarnemer van de gemachtigde van eiser, J.A. Boko als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Deze uitspraak ziet op een door verzoeker gedaan verzoek om een proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Omdat het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit en verweerder inmiddels een besluit heeft genomen, is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
4. Verzoeker heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat het beroep niet-ontvankelijk was. Eiser heeft zijn beroep namelijk ingesteld op het moment dat de rechterlijke dwangsom die bij uitspaak van 28 oktober 2022 was opgelegd nog niet was volgelopen. Daarom kon eiser op dat moment redelijkerwijs niet in een gunstigere positie komen door het nieuwe beroep. Verweerder verwijst hiervoor naar een uitspaak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem.1
6. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Over de situatie waarbij een beroep niet tijdig wordt ingesteld op het moment dat de rechterlijke dwangsom nog niet is volgelopen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank in zo’n situatie bij haar uitspraak moet betrekken of de rechtelijke dwangsom wel is volgelopen op het moment dat zij het onderzoek sluit.2 In de onderhavige zaak is het beroep echter ingetrokken voordat de rechtbank het onderzoek heeft kunnen sluiten. De rechtbank vindt daarom relevant of er op enig moment nadat beroep is ingesteld en voordat het beroep is ingetrokken procesbelang is geweest. Dat is het geval. Op 25 januari 2023 is de maximale rechterlijke dwangsom van
€ 7.500,- volgelopen. Op 30 januari 2023 heeft verweerder een besluit op de aanvraag genomen. Eiser heeft in de tussenliggende periode dus procesbelang gehad. Het beroep was daarom ontvankelijk, en eiser heeft recht op proceskosten.
7. Het verzoek wordt toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor
1. juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6552.
2 Afdeling 29 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:190.
het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal - van der Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 augustus 2023
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.