Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:12260
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,543 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.16688
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: T. Tichelaar en mr. S.J.R.R. Brock).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 augustus 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Via een telefonische verbinding is M. van der Assen als tolk opgetreden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.R.R. Brock.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Colombiaanse nationaliteit.
2. Op 8 maart 2021 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Daaraan heeft hij kort weergegeven het volgende ten grondslag gelegd. Eisers oudere zus is [naam 2], de voormalige echtgenote van [naam 3]. Deze [naam 4] is leider van een criminele organisatie die zich bezighoudt met mensenhandel door Colombiaanse vrouwen naar de Verenigde Staten te brengen om daar gedwongen in de prostitutie te werken (hierna: de criminele organisatie). Eiser heeft in februari 2017 in opdracht van zijn zus werkzaamheden verricht als chauffeur voor deze organisatie. Eiser is in december 2018 getuige geweest van de moord op [naam 5] door de maffia. Helen en Luis zijn in de Verenigde Staten gearresteerd en strafrechtelijk veroordeeld. Tijdens het voorarrest van Helen wilde de criminele organisatie voorkomen dat zij belastende verklaringen zou afleggen. Daarom hebben zij geprobeerd om haar zoon, eisers neefje, te ontvoeren. Eiser heeft deze ontvoering afgewend, waarbij hij met een vuurwapen heeft geschoten. Later is eiser zelf door leden van de organisatie ontvoerd. Door een telefoontje van zijn zus is hij na drie dagen weer vrijgelaten. Enkele maanden daarna is hij uit Colombia gevlucht. Vlak voor zijn vertrek is hij bedreigd door leden van de criminele organisatie. Ondanks de dreigementen heeft Helen samengewerkt met de autoriteiten van de Verenigde Staten, waarbij zij in ruil voor strafvermindering belastende verklaringen heeft afgelegd over [naam 4]. Bij terugkeer naar Colombia vreest eiser dat diens organisatie wraak op hem wil nemen.
3. Bij besluit van 18 mei 2022 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In dat besluit heeft verweerder overwogen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in Nederland omdat hij in verband kan worden gebracht met misdrijven zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12403, is het besluit van 18 mei 2022 vernietigd en is verweerder opgedragen om opnieuw op eisers asielaanvraag te beslissen. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat eiser ten onrechte niet nader is gehoord over de misdrijven waarmee hij in verband is gebracht. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Colombia geen reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. Op 13 februari 2023 is eiser aanvullend gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Verweerder werpt nu niet langer aan eiser tegen dat hij een gevaar is voor de openbare orde. Wel werpt verweerder aan eiser tegen dat hij zich niet onverwijld heeft gemeld voor het vragen van asiel. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eisers zus Helen aangesloten is geweest bij de criminele organisatie van [naam 4], dat zij hiervoor in de Verenigde Staten is veroordeeld en dat zij vervroegd is vrijgelaten vanwege samenwerking met de autoriteiten van de Verenigde Staten. Verder heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser in februari 2017 in opdracht van zijn zus werkzaamheden heeft verricht voor de criminele organisatie. Verweerder heeft echter ongeloofwaardig geacht dat eiser de ontvoering van zijn neefje heeft voorkomen en dat hij zelf is ontvoerd. Ook heeft verweerder ongeloofwaardig geacht dat eiser getuige is geweest van de moord op [naam 5]. Verder heeft verweerder ongeloofwaardig geacht dat eiser vlak voor zijn vertrek is bedreigd door leden van de criminele organisatie. Volgens verweerder heeft eiser bij terugkeer naar Colombia geen reële vrees voor de criminele organisatie omdat hij slechts gedurende korte tijd geringe werkzaamheden voor hen heeft verricht en zijn familieleden die in Colombia zijn gebleven met rust zijn gelaten. Ten slotte heeft verweerder tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.
5. Eiser voert hiertegen het volgende aan. Het aanvullend gehoor van 13 februari 2023 heeft niet op zorgvuldige wijze plaatsgevonden omdat er vragen door elkaar werden gesteld door twee hoormedewerkers. Verweerder heeft de twee ontvoeringen, het getuige zijn van de moord op [naam 5] en de bedreigingen aan het adres van eiser ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Bovendien heeft verweerder niet onderkend dat alleen al vanwege het verlaten van een kartel sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Colombia. Hierbij verwijst eiser naar rapporten van EUAA, Country Focus en Human Rights Watch. Ten onrechte is tegengeworpen dat de asielaanvraag niet onverwijld is ingediend, aangezien eiser bang was en een eerder plan om naar een tante in Spanje te gaan niet lukte omdat daar Colombiaanse criminelen aanwezig zijn. Van het uitvaardigen van een inreisverbod, dat voortvloeit uit de keuze voor deze afdoeningsgrond, had moeten worden afgezien omdat eiser bij terugkeer naar Colombia opnieuw zal moeten vluchten.
6. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting vastgehouden aan zijn standpunt. Wat eiser in beroep naar voren brengt over zijn asielrelaas is volgens verweerder een nieuwe versie van de feiten die dan ook verder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Volgens verweerder blijkt uit de door eiser overgelegde landeninformatie niet alsnog dat hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Uit het rapport van het aanvullend gehoor van 13 februari 2023 kan niet worden opgemaakt dat eiser door de vraagstelling van de hoormedewerkers in de war is geraakt. De rechtbank stelt vast dat eiser uitgebreid is gehoord, dat er voldoende is doorgevraagd en dat er ook verschillende controlevragen zijn gesteld. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat dit gehoor niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zijn gemachtigde in persoon bij dit gehoor aanwezig is geweest en dat in de correcties en aanvullingen en de zienswijze hierover geen opmerkingen heeft gemaakt.
8. Verweerder heeft eisers verklaringen over de ontvoeringen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft namelijk terecht overwogen dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wanneer de ontvoeringen hebben plaatsgevonden, hoeveel tijd daartussen zat en hoeveel personen daarbij betrokken waren. In beroep stelt eiser voor het eerst dat hij eerst zelf is ontvoerd en daarna pas zijn neefje. Dit vindt echter geen weerslag in het asielrelaas zoals eiser dat in de gehoren naar voren heeft gebracht en kan reeds daarom niet worden gevolgd. Verder heeft verweerder niet ten onrechte onaannemelijk geacht dat eiser is vrijgelaten door tussenkomst van zijn zus, aangezien volgens eisers verklaringen het doel van de ontvoeringen gelegen was in het onder druk zetten van deze zus. Ook heeft verweerder niet ten onrechte onaannemelijk geacht dat eisers zus vanuit de gevangenis in de Verenigde Staten contact kon hebben met leden van de criminele organisatie, aangezien zij juist voor betrokkenheid bij dat netwerk gedetineerd zat. Uit de door eiser overgelegde informatie van het FBO (Federal Bureau of Prisons van de Verenigde Staten) volgt weliswaar dat gevangenen kunnen bellen, maar ook dat daarbij gemonitord wordt of telefoongesprekken niet worden gebruikt voor criminele of ongepaste activiteiten.
9. Ook heeft verweerder eisers verklaringen over het getuige zijn van de moord op [naam 5] niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.