Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:11935
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,476 tokens
Inleiding
Rechtbank Den Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3764
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.M. Prins),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.
Procesverloop
Bij brief van 23 mei 2023 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn bezwaar van 5 november 2022 tegen het besluit van 20 oktober 2022.
Bij brief van 2 juni 2023 heeft de rechtbank verweerder verzocht binnen twee weken mede te delen of de termijn waarbinnen in deze procedure een besluit moet worden genomen is verstreken.
Bij brief van 21 juni 2023 heeft verweerder gereageerd en bevestigd dat nog geen besluit op het bezwaar is genomen.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
3. Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden.
Op grond van het tweede lid van dit artikel, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4. Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken kan verdagen.
5. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat de beslistermijn op grond van artikel 7:10 van de Awb is verstreken.
6. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser verweerder op 28 maart 2023 in gebreke heeft gesteld.
7. Gelet op het vorenstaande is het beroep ontvankelijk en is sprake van overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank acht geen onderzoek ter zitting noodzakelijk en zal met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep kennelijk gegrond verklaren.
8. Gelet op artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar te nemen. Aan overschrijding van die termijn zal de rechtbank een rechterlijke dwangsom verbinden. Voor zover een uitspraak in hoger beroep van belang wordt geacht voor deze zaak, kan eventueel een nieuw besluit worden genomen indien deze uitspraak bekend is.
9. De dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is in deze zaak van toepassing. De maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- is verbeurd, maar verweerder heeft nog geen dwangsombeschikking genomen. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de dwangsom vaststellen op € 1.442,-.
10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 418,50 (1 punt x factor 0,5 x € 837,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, nu dit geding slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn is overschreden.
11. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser dient te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak, alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van eiser;
bepaalt dat verweerder aan eiser een rechterlijke dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
stelt de door verweerder te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-;
veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 418,50;
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van
F.J.M. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
14 augustus 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 van de Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord.