Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-04
ECLI:NL:RBDHA:2023:11909
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
794 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17406
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2023 op zitting te Breda behandeld. Eiser is, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Vaststaat dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. In geschil is of verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen om de asielaanvraag van eiser niet onverplicht in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
2. Verweerder maakt terughoudend gebruik van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming onverplicht in behandeling te nemen. De rechtbank volgt verweerder daarin. Gelet op de beslissingsruimte die verweerder hierin heeft, toetst de rechtbank deze beslissing van verweerder terughoudend.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat in dit geval geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Duitsland. Eiser heeft gesteld dat hij psychische problemen heeft. Eiser heeft gesteld maar niet aannemelijk gemaakt dat zijn oom een cruciale rol speelt bij de behandeling daarvan. Daarnaast is niet gebleken dat er in Duitsland geen vergelijkbare behandeling voor eiser voorhanden is. Verweerder heeft op basis van de feiten en omstandigheden zoals door eiser zijn aangevoerd, mogen aannemen dat overdracht van eiser naar Duitsland niet getuigt van onevenredige hardheid.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2023 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Verordening (EU) nr. 604/2013.