Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-01-13
ECLI:NL:RBDHA:2023:11827
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,754 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.5007
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw afgewezen.
Bij besluit van 5 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 22 november 2022 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen: M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1980. Zij stelt staatloos Palestijn te zijn.
1.1.
Op 19 februari 2019 heeft eiseres een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 11 augustus 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Aan eiseres is bij dit besluit in afwachting van een beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw tijdelijk uitstel van vertrek verleend voor de periode van 11 augustus 2020 tot 11 februari 2021. Bij uitspraak van deze rechtbank van5 april 2022 is het beroep ongegrond verklaard. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling waarop op dit moment nog niet is beslist. Het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening te treffen en te bepalen dat zij de uitspraak op het hoger beroep in Nederland mag afwachten is toegewezen.
2. Verweerder heeft ambtshalve beoordeeld of eiseres in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Hiertoe heeft verweerder advies gevraagd aan het BMA. Op 24 september 2020 heeft het BMA advies uitgebracht.
2.1.
Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek. Hij baseert dat op het BMA-advies van 24 september 2020.
2.2.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Aan dit besluit heeft verweerder het BMA-advies van 24 september 2020 en de aanvullende BMA-adviezen van 15 februari 2021 en 24 februari 2021 ten grondslag gelegd. Uit de BMA-adviezen blijkt dat bij eiseres de schildklier is verwijderd in 2014 in Libanon, vanwege schildklierkanker. Zij krijgt sindsdien schildklierhormoon in de vorm van medicatie. Eiseres heeft daarnaast hoge bloeddruk en huidallergie, waarvoor zij wordt behandeld en medicatie krijgt. Uit de BMA adviezen blijkt verder dat eiseres in staat is om te reizen onder de door het BMA gestelde reisvoorwaarden. Bij het uitblijven van medische behandeling voor haar schildklier zal blijkens de aanvullende adviezen een medische noodsituatie op korte termijn ontstaan, maar de noodzakelijke behandeling is in Libanon en de Verenigde Arabische Emiraten beschikbaar. Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische behandeling voor haar niet toegankelijk is. Verweerder concludeert dat eiseres met de enkele verwijzing naar algemene rapporten er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de benodigde medische behandeling in Libanon en VAE voor haar niet toegankelijk is. Daarom kan volgens verweerder niet worden aangenomen dat bij terugkeer een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM.
3. Eiseres is het niet eens met verweerder en voert aan dat de medische noodzakelijke behandeling feitelijk niet toegankelijk is voor eiseres als Palestijn die onder het mandaat van UNWRA valt in Libanon. Ook in de VAE is de medische noodzakelijke behandeling feitelijk niet toegankelijk voor eiseres, omdat ze niet zal worden toegelaten tot dat land. De rechtbank gaat hieronder in op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd.
4. Verweerder heeft in beroep een aanvullend BMA-advies van 22 augustus 2022 overgelegd. Uit dit BMA-advies blijkt dat het achterwege laten van een de medische behandeling bij eiseres zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Tevens blijkt uit dit BMA-advies dat eiseres kan reizen en dat de noodzakelijke behandeling in de VAE beschikbaar is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische behandeling in de VAE feitelijk niet toegankelijk is voor haar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Beschikbaarheid medische behandeling
5. Tussen partijen is niet in geschil dat bij het uitblijven van behandeling voor haar schildklier een medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan. Ook is niet in geschil dat eiseres kan reizen. Verweerder stelt zich in beroep niet langer op het standpunt dat de benodigde medische behandeling in Libanon aanwezig is. Deze benodigde medische behandeling is echter wel in de VAE aanwezig.
5.1.
Een BMA-advies is aan te merken als een deskundigenadvies. Als verweerder, zoals hij nu heeft gedaan, een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich ervan vergewissen dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Als er geen contra-expertise is ingebracht daartegen door de betrokkene, kan de betrokkene de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van een BMA-advies aan de orde stellen, dan wel concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud daarvan. Eiseres is hierin niet geslaagd. Niet in geschil is dat eiseres geen contra-expertise heeft overgelegd. Ook heeft eiseres geen concrete aanknopingspunten aangevoerd op basis waarvan gegronde twijfel bestaat over de inhoud van de BMA-adviezen, terwijl niet in geschil is dat zij daartoe wel de mogelijkheid had.
5.2.
Verweerder mocht gelet op het voorgaande uitgaan van de BMA-adviezen. Dat betekent ook dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de benodigde medische behandeling in de VAE beschikbaar is.
Toegankelijkheid medische behandeling
6. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische behandeling in de VAE voor haar feitelijk niet toegankelijk is.
6.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is het volgens paragraaf 186 van het arrest Paposhvili aan een vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt en dat, indien deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit hoeft volgens het EHRM geen "clear proof" te zijn. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen. De nationale autoriteiten van de uitzettende staat moeten dan de voorzienbare gevolgen van de uitzetting naar het land van herkomst voor die vreemdeling zorgvuldig onderzoeken in het licht van de algemene situatie daar en de persoonlijke omstandigheden van die vreemdeling. Bij de beoordeling of die vreemdeling een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt moeten zij algemene landeninformatie van gezaghebbende bronnen zoals de WHO en non-gouvernementele organisaties en medische informatie over die vreemdeling betrekken. De nationale autoriteiten moeten daarbij ook de mate van daadwerkelijke toegang voor die vreemdeling tot de in de ontvangende staat beschikbare zorg bezien. Bij de inschatting daarvan moeten de specifieke omstandigheden, zoals de kosten van medicatie en behandeling, de aanwezigheid van een sociaal netwerk en de reisafstand om de benodigde zorg te verkrijgen, worden betrokken. Indien na het verrichten van dit onderzoek serieuze twijfel blijft bestaan, is het aan de nationale autoriteiten om garanties te vragen aan het land van herkomst omtrent de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de medische zorg die toereikend is om een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie te voorkomen (paragrafen 187, 190 en 191 van het arrest Paposhvili). Het EHRM heeft de norm en de beginselen, vastgelegd in het arrest Paposhvili, bevestigd in het arrest van 7 december 2021, Savran tegen Denemarken.
6.2.
Eiseres voert aan dat zij in de VAE alleen een tijdelijke verblijfsstatus had vanwege haar medische behandeling voor schildklierkanker. Nadat de behandeling was afgerond, is haar verblijfsvergunning niet meer verlengd. Verder heeft eiseres, behalve haar broer, geen familiebanden in de VAE.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort - Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
ECLI:NL:RBLIM:2022:2637.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 11 mei 2022 ECLI:NL:RVS:2022:1393.
Bureau Medische Advisering.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling, van16 mei 2019, vindplaats: ECLI:NL:RVS:2019:1598.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 juni 2017, vindplaats: ECLI:NL:RVS:2017:1674 en van 23 november 2018, vindplaats: ECLI:NL:RVS:2018:3852.
Zie onder meer de uitspraak van 14 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2799.
Europese Hof voor de Rechten van de Mens, 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810
ECLI:CE:ECHR:2021:1207JUD005746715, paragrafen 133 tot en met 136.