Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:11733
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,244 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20431
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Verweerder heeft op 14 juli 2023 een kennisgeving gedaan, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw, die moet worden gelijkgesteld met een beroep tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 20 juli 2023 heeft hij de gronden van beroep ingediend. Op 21 juli 2023 heeft verweerder een reactie daarop ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek op 26 juli 2023 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. In de brief van 20 juli 2023 heeft eiser kenbaar gemaakt dat hij het niet eens is met de maatregel van bewaring, omdat hij geen crimineel is. Eiser verzoekt de maatregel ambtshalve te toetsen.
3. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser in bewaring is gesteld ter fine van uitzetting en dat deze maatregel dus niet is gebaseerd op strafrechtelijke gronden.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en de maatregel ook kunnen dragen.
6. De rechtbank constateert dat eiser niet is gehoord voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring. In het proces-verbaal van gehoor staat beschreven dat eiser tegen een medewerker van DJI heeft gezegd dat hij niet met de ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee in gesprek wilde gaan en dat eiser dus niet naar zijn bewaringsgehoor komt. Hierna is de gemachtigde van eiser gebeld en gevraagd of hij een zienswijze voor eiser wilde geven. De gemachtigde van eiser heeft daarop geantwoord dat hij niet weet wat hij voor eiser zou moeten opgeven, maar dat hij wel weet dat eiser graag buiten detentie zou willen verblijven.
7. Nu eiser in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord maar daar geen gebruik van heeft willen maken en zijn gemachtigde wel namens eiser een zienswijze heeft kunnen indienen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring vanwege het ontbreken van een gehoor onrechtmatig is.
8. Ook voor het overige ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Dienst Justitiële Inrichtingen.