Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-08-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:11732
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,581 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20801
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening. Op 24 juli 2023 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Op 25 juli 2023 heeft verweerder een reactie daarop ingediend.
De rechtbank heeft op 26 juli 2023 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat verweerder eerder, tijdens de behandeling van een vorige maatregel van bewaring, zware grond 3d heeft laten vallen. Ook de overige gronden bieden onvoldoende rechtvaardiging voor de bewaring. Er is geen risico dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht. Eiser benadrukt dat hij rechtmatig verblijf heeft vanwege de behandeling van zijn asielaanvraag en hij het recht heeft om die beslissing in vrijheid af te wachten.
4. De rechtbank stelt voorop dat de maatregel van bewaring de juiste grondslag heeft. Uit de stukken blijkt immers dat eisers asielaanvraag bij besluit van 18 mei 2023 is afgewezen, zijn beroep tegen dit besluit is ingetrokken op 13 juni 2023 en dat eiser dus niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Eiser heeft de zware gronden 3a, 3b, 3i en de lichte gronden 4c en 4d niet betwist. De gronden zijn feitelijk juist, voldoende toegelicht en voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. Wat eiser heeft aangevoerd tegen zware grond 3d behoeft daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
5. Eiser voert verder aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Daarbij had verweerder moeten betrekken dat eiser medische behandeling nodig heeft en wil terugkeren naar België.
6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel in dit geval doeltreffend is toe te passen, omdat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verder heeft verweerder eisers medische omstandigheden kenbaar meegewogen in de maatregel van bewaring. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring terecht overwogen dat de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Voortvarend handelen en zicht op uitzetting
7. Tot slot voert eiser aan dat verweerder niet voortvarend handelt nu eiser al sinds 21 juni 2023 in bewaring verblijft. Ook heeft verweerder niet aangetoond dat er zicht is op uitzetting.
8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft op 20 juni 2023 een lp aangevraagd en heeft op 5 en 12 juli 2023 aandacht voor deze zaak gevraagd bij de Marokkaanse autoriteiten. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat.
9. Verder kan in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting in het geval van Marokko. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2022. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten volgen dat in zijn geval zicht op uitzetting wel ontbreekt.
Ambtshalve toets
10. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Laissez-passer.
ECLI:NL:RVS:2022:3269.