Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-24
ECLI:NL:RBDHA:2023:11227
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,346 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/649137 / JE RK 23-1218 en C/09/648170 / JE RK 23-1107
Datum uitspraak: 24 juli 2023
Beschikking van de kinderrechter
I. Vervanging van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden door Jeugdbescherming Brabant
II. Gedeeltelijke gezagsuitoefening door de gecertificeerde instelling ex artikel 1:265e BW
in de zaak naar aanleiding van de verzoeken van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
betreffende:
- [naam1] ,
geboren op [geboortedatum1] 2013 te [geboorteplaats1] ,
hierna te noemen: [naam1] .
- [naam2]
geboren op [geboortedatum2] 2014 te [geboorteplaats1] ,
hierna te noemen: [naam2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam3] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats1] ,
[naam4] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats2] .
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift ( I. ) met bijlagen van 31 mei 2023;
- het verzoekschrift (II.) met bijlagen van 19 juni 2023.
Op 24 juli 2023 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
- de moeder;
- mevrouw [naam5] en mevrouw [naam6] , namens de gecertificeerde instelling.
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de vader.
Feiten
- Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
- De hoofdverblijfplaats van [naam1] en [naam2] is bij de moeder bepaald. [naam1] en [naam2] verblijven feitelijk bij de oma vaderszijde.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 30 januari 2023 [naam1] en [naam2] onder toezicht gesteld van 30 januari 2023 tot 30 januari 2024.
De verzoeken
I. Verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling
Het verzoek strekt tot vervanging van de huidige gecertificeerde instelling door Jeugdbescherming Brabant, nu [naam1] en [naam2] met de moeder in augustus 2023 verhuizen naar [naam8] ( [provincie] ). Sinds december 2022 verblijven de kinderen bij de oma vaderszijde, waar de vader ook verblijft. Doordat de moeder en de kinderen naar een andere regio verhuizen, is het van belang dat een gecertificeerde instelling in de buurt van de nieuwe woonplaats de ondertoezichtstelling kan uitvoeren. Jeugdbescherming Brabant heeft zich bereid verklaard de uitvoering van de ondertoezichtstelling per 22 augustus 2023 op zich te nemen. De huidige gecertificeerde instelling heeft met de ouders en oma vaderszijde een rooster gemaakt waarin de bezoekmomenten aan de vader tot december 2023 zijn vastgelegd. In december 2023 zullen er nieuwe afspraken moeten worden gemaakt, omdat de vader en de moeder dan mogelijk weer aan het werk zijn, waardoor de bezoekmomenten anders ingedeeld moeten worden.
II. Geschillenregeling
Tevens verzoekt de gecertificeerde instelling om in het kader van de
Geschil
De standpunten
De moeder stemt in met de verzoeken van de gecertificeerde instelling. De moeder kijkt ernaar uit dat de kinderen weer bij haar komen wonen. De afgelopen jaren heeft zij een moeilijke momenten gehad. Zij krijgt hiervoor hulpverlening in de vorm van thuisondersteuning om haar te ontlasten en te ondersteunen. Op 3 augustus 2023 staat de verhuizing naar [naam8] gepland. Er moet nog veel geregeld worden met betrekking tot het verhuizen van de spullen van de kinderen.
Beoordeling
I. Verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling
De kinderrechter overweegt dat op grond van artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek de gecertificeerde instelling die is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling kan worden vervangen door een andere gecertificeerde instelling. De kinderen verhuizen in augustus 2023 naar een andere regio [provincie] ) om weer bij de moeder te gaan wonen. Voor een goede uitvoering van de ondertoezichtstelling, is het van belang dat de hulpverlening vanuit die regio wordt ingezet en gecoördineerd. De kinderrechter zal daarom Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden vervangen door Jeugdbescherming Brabant als gecertificeerde instelling die is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
II. Geschillenregeling
Door de gecertificeerde instelling is verzocht om op grond van de geschillenregeling te bepalen dat de kinderen bij hun nieuwe school en bij de huisarts en tandarts in de buurt van de moeder kunnen worden ingeschreven. De kinderrechter is van oordeel dat de geschillenregeling niet de juiste grondslag biedt voor het verzoek van de gecertificeerde instelling. De kinderrechter zal de rechtsgronden volgens de wet aanvullen en uit zichzelf beoordelen welke rechtsregels moeten worden toegepast op het geschil dat wordt voorgelegd.
De kinderrechter stelt in dit verband voorop dat de Hoge Raad in diens arrest van 25 juni 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1003) omtrent de verhouding tussen onder andere de geschillenregeling ex art. 1:262b BW enerzijds en de gedeeltelijke gezagsoverheveling ex art. 1:265e BW anderzijds in een geschil over inschrijving bij een school heeft overwogen dat de rechtsbescherming bij een gedeeltelijke gezagsoverheveling groter is dan bij een schriftelijke aanwijzing. Art. 1:265e lid 1 BW vormt volgens de Hoge Raad in dit geval een bijzondere regel ten opzichte van onder meer art. 1:262b BW. De procedure moest daarom ingestoken worden via art. 1:265e BW.
De kinderrechter acht voornoemde uitspraak van de Hoge Raad ook relevant in deze zaak. Het belangrijkste verschil tussen de zaak waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld en de onderhavige zaak, is dat in de zaak van de Hoge Raad de minderjarige uit huis was geplaatst bij de andere ouder met gezag. Een geschil over school in de context van verblijf bij een ouder op grond van een uithuisplaatsing of op basis van het hoofdverblijf verschilt echter niet wezenlijk van elkaar. Verder zorgt een beslissing van de kinderrechter op grond van de geschillenregeling op zichzelf niet voor vervangende toestemming van de kinderrechter om [naam1] en [naam2] in te schrijven bij hun nieuwe school. Het doel van de gecertificeerde instelling om dit verzoek te doen kan door het gebruik van de geschillenregeling niet worden bewerkstelligd. Bij een verzoek tot gedeeltelijke gezagsoverheveling kan de gecertificeerde instelling de bevoegdheid tot inschrijving zelfstandig verkrijgen.
Artikel 1:265e BW geldt in principe alleen bij uithuisplaatsing, maar uitgaande van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat analoge toepassing in de onderhavige situatie gerechtvaardigd is. De kinderrechter zal daarom de rechtsgronden zodanig aanvullen dat het verzoek wordt beoordeeld als een verzoek gedeeltelijke gezagsoverheveling zonder uithuisplaatsing.
Nu de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder is bepaald en zij per 3 augustus 2023 naar [naam8] in Noord-Brabant terugverhuizen, is het van belang dat de kinderen bij aanvang van het nieuwe schooljaar kunnen starten op hun nieuwe school in de buurt van de moeder. Gelet op het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is voor een soepele overgang naar de nieuwe woonplaats van de kinderen dat de gecertificeerde instelling wordt belast met het gezag voor zover de vader dat uitoefent over [naam1] en [naam2] en voor zover het gaat om de inschrijving van de kinderen op hun nieuwe school en de inschrijving bij een huisarts en tandarts in de buurt van de moeder. De gedeeltelijke gezagsuitoefening zal de kinderrechter bepalen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Derhalve zal als volgt worden beslist.
Dictum
De kinderrechter:
vervangt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden door Jeugdbescherming Brabant;
bepaalt dat het gezag van de vader over [naam1] en [naam2] , voor zover dit betrekking heeft op het geven van toestemming om [naam1] en [naam2] in te schrijven op hun nieuwe school en bij een huisarts en tandarts in de buurt van de moeder, voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 30 januari 2024, wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2023 door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 juli 2023.
Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen de beslissing tot vervanging van de gecertificeerde instelling geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
Hoger beroep tegen de beslissing tot gedeeltelijke gezagsoverheveling kan worden ingesteld:
I. door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
II. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.