Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-21
ECLI:NL:RBDHA:2023:10764
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,768 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/8146
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. N.F. Barthel),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag
(gemachtigde: V.C.T. Verkroost).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de oplegging van een last onder dwangsom aan eiseres.
1.1.
Verweerder heeft eiseres een dwangsom opgelegd omdat zij onzelfstandige kamerbewoning heeft toegestaan aan [adres] [nummer] in [plaats] zonder de daarvoor benodigde vergunning. Bij besluit van 10 november 2022 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres mr. [naam], waarnemend kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres en voornoemde gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 28 april 2022 heeft er naar aanleiding van een melding dat er te veel mensen in de woning van eiseres zouden wonen een controle plaatsgevonden en is door inspecteurs van de Haagse Pandbrigade geconcludeerd dat daar drie personen woonachtig zijn, zonder dat eiseres in het bezit is van een daarvoor benodigde vergunning. Vanaf 1 juni 2021 is er namelijk een omzettingsvergunning vereist voor kamerbewoning vanaf 3 personen. Aan eiseres is een last onder dwangsom opgelegd van € 5.000,- om de overtreding te laten stoppen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres stelt dat de woning niet door drie, maar door twee personen wordt bewoond. Op de dag van de inspectie waren er logees uit Polen in de woning die over waren gekomen om Koningsdag te vieren. Ook is eiseres ten onrechte niet gehoord tijdens de bezwaarfase.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In geschil is of er in overtreding met de wet meer dan twee personen in de woning woonden ten tijde van de inspectie door de Haagse Pandbrigade.
5. Een bestuursorgaan mag in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
6. De rechtbank is van oordeel dat van een zodanige twijfel in dit geval geen sprake is. De kale stelling van eiseres dat er twee personen de woning bewonen en dat ten tijde van de controle logees in de woning aanwezig waren, is onvoldoende om van een zodanige twijfel te kunnen spreken. Hierbij acht de rechtbank van belang dat in het inspectierapport is vermeld dat de hoofdbewoonster tijdens de inspectie heeft verklaard dat zij daar samen met 2 andere personen woont, omdat de huur voor haar alleen veel te hoog is. De andere aanwezige persoon heeft bevestigd dat zij meedeelt in de huurprijs. Ook zijn in de drie slaapkamers persoonlijke spullen aangetroffen. Daarnaast speelt mee dat de controle is verricht naar aanleiding van een melding dat er te veel mensen zouden wonen.
Het betoog dat sprake zou zijn geweest van communicatieproblemen tussen de inspecteur en de Poolse aanwezigen of dat hij hen niet goed zou hebben begrepen slaagt niet. Het rapport vermeldt expliciet dat ten aanzien van beide aanwezigen de communicatie in het Engels goed verliep, wat ook terug te lezen is in de gedetailleerdere verklaring van de hoofdbewoonster. Het feit dat blijkens het huurcontract de huurprijs rond de € 1000,- ligt en geen € 1500,- bedraagt en dat de hoofdbewoonster dit bedrag gelet op haar huidige baan prima zou moeten kunnen betalen is evenmin grond voor twijfel. Nog los van het feit dat zij zich tijdens de inspectie kan hebben vergist in het bedrag of dat het verschil in huurprijs kan worden verklaard door het al dan niet meerekenen van gas/water/licht, is niet bekend wat zij destijds verdiende in de vleesfabriek in Zoetermeer waar zij toen werkte, noch is bekend wat zij destijds bereid was zelf aan huur te betalen.
7. Ten aanzien van de vraag of verweerder eiseres had moeten horen op haar bezwaar overweegt de rechtbank dat als hoofdregel geldt dat verweerder in de bezwaarprocedure een belanghebbende, zoals eiseres, moet horen. Als op voorhand geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet leiden tot een ander besluit, dan kan verweerder van het horen afzien. In bezwaar had eiseres slechts verklaard dat het om logees ging en betoogd dat de situatie inmiddels was hersteld. Dat laatste is niet relevant voor het opleggen van de last onder dwangsom en dat eerste was niet onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat onder die omstandigheden van het horen kon worden afgezien en dat verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren.
Conclusie
8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond wat betekent dat het bestreden besluit, en daarmee de aan eiser opgelegde dwangsom, overeind blijft.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
21 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 21 sub c van de Huisvestingswet 2014 in samenhang met artikel 5:1 lid 1 en 5:2 onder b van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State, van 30 september 2020, (ECLI:NL:RVS:2020:2323).