Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2023:10586
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,494 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.19910
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , v-nummer: [v-nummer] , verzoekster,
Mede namens haar minderjarige kinderen [naam], v-nummer: [v-nummer] en [naam], v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
1. In het besluit van 7 juli 2023 heeft verweerder besloten dat de overdracht naar Duitsland niet achterwege gelaten wordt op grond van artikel 3.1, tweede lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
2. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
3. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
4. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Vanwege de omstandigheid dat de overdracht staat gepland op 13 juli 2023, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van spoedeisend belang.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dit beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden die verzoekster heeft aangevoerd.
7. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. De staatssecretaris heeft eerder, bij besluit van 27 januari 2023, de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. De staatssecretaris baseert zich op Eurodac gegevens waaruit blijkt dat eiseres laatstelijk een asielverzoek heeft ingediend in Duitsland, namelijk op 25 november 2019. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld, welk beroep op 23 maart 2023 ongegrond is verklaard. De rechtbank overwoog toen onder meer dat de stelling van eiseres dat zij in 2020 naar Italië is gereisd en daar een asielverzoek heeft ingediend, dat door Italië in behandeling is genomen, onvoldoende heeft onderbouwd met documenten. Vervolgens heeft verzoekster een opvolgende aanvraag ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft de staatssecretaris op 7 juli 2023 het bestreden besluit genomen.
7.1.
Verzoekster betoogt, kort gezegd, dat de overdracht aan Duitsland niet plaats kan vinden omdat niet Duitsland maar Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoekster. Hiertoe heeft verzoekster een scan van Italiaanse identiteitsdocumenten van haar en haar kinderen overgelegd, die zijn afgegeven op 13 oktober 2021. Hierbij heeft verzoekster tevens betoogd dat iemand die documenten alleen krijgt als hij of zij een verblijfsvergunning heeft gekregen of asiel heeft aangevraagd in Italië. Verzoekster heeft ter onderbouwing van deze stelling informatie overgelegd over hoe deze identiteitsdocumenten verkregen kunnen worden. Deze stukken bewijzen volgens verzoekster dat zij in 2020 een asielaanvraag heeft gedaan in Italië.
7.2.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris niet onderkend dat verzoekster heeft willen bewijzen dat zij in 2020 een asielaanvraag heeft gedaan in Italië en dat die asielaanvraag door Italië in behandeling is genomen. In de brief van de staatssecretaris aan de rechtbank van 10 juli 2023 staat immers dat de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat verzoekster met de documenten niet heeft aangetoond dat zij in januari 2023 in Italië is geweest en daar een asielaanvraag heeft ingediend. Dit is echter ook niet door verzoekster betoogd. De staatssecretaris gaat vervolgens niet in op de vraag of de scan van de Identity Cards de verklaring van verzoekster ondersteunt dat zij in 2020, nadat zij door Nederland aan Duitsland is overgedragen, een asielverzoek in Italië heeft ingediend. Verder blijkt, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet uit het bestreden besluit of de documenten van verzoekster zijn beoordeeld. Hierdoor is vooraf niet te zeggen dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft.
8. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op het bezwaar;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 23 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:4227
https://italy.refugee.info/hc/en-us/articles/5388746745879-Italian-identity-card-Carta-d-identit%C3%A0