Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-07-28
ECLI:NL:RBDHA:2022:7909
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,591 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.5567
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
v-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.1
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Shiranian. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op 1 januari 1992 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op respectievelijk 20 januari 2016, 3 mei 2017, 12 maart 2018 en 4 februari 2019 heeft eiser aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De besluiten waarbij verweerder deze aanvragen heeft afgewezen, staan in rechte vast.
2. Op 30 juli 2020 heeft eiser opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de aanvraag) ingediend. Op 4 maart 2022 is aan eiser op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw de gevraagde verblijfsvergunning verleend, met ingang van 1 augustus 2020 (geldig tot 1 augustus 2025).
1. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3. Eiser kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van de aan hem verleende vergunning. Verweerder heeft in dat verband niet onderkend dat met de aanvraag in feite sprake was van een verzoek om bestuurlijke heroverweging van de besluiten op de eerdere aanvragen. Dat klemt te meer omdat eiser, net als aan de eerdere aanvragen, aan de aanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij in Afghanistan voor vervolging vreest vanwege afvalligheid. Verweerder heeft in het bestreden besluit daarom onvoldoende gemotiveerd
dat de asielvergunning niet met ingang van 20 januari 2016, 13 maart 2018, dan wel 6 februari 2019 is verleend. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling2 van 22 juni 2016.3
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 44, tweede lid, van de Vw wordt een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 20214 dat een verzoek om bestuurlijke heroverweging moet worden onderscheiden van een opvolgende asielaanvraag. Een dergelijk verzoek doet zich volgens de Afdeling voor als een vreemdeling betoogt dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht moet worden ingewilligd. In een dergelijk geval staat artikel 44, tweede lid, van de Vw niet in de weg aan het verlenen van een asielvergunning met een eerdere ingangsdatum dan de datum van het verzoek om bestuurlijke heroverweging.
5. Niet in geschil is dat verweerder de aanvraag van eiser op 1 augustus 2020 heeft ontvangen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de aanvraag moet worden aangemerkt als een verzoek om bestuurlijke heroverweging. Met verweerder stelt de rechtbank vast dat uit de aanvraag in het geheel niet blijkt dat eiser daarmee (ook) heeft verzocht om een bestuurlijke heroverweging van de besluiten op zijn eerdere asielaanvragen. Dat een verzoek om bestuurlijke heroverweging via de weg van de opvolgende aanvraag bij verweerder wordt ingediend, leidt niet tot een ander oordeel. Deze wijze van indiening biedt namelijk - in het daarvoor bestemde formulier5 of via een begeleidende brief - voldoende mogelijkheden om verweerder er uitdrukkelijk op te attenderen dat het om een verzoek om bestuurlijke heroverweging gaat. Eiser heeft daar geen gebruik van gemaakt. Ook eisers stelling dat hij in de voorgaande procedures al naar voren heeft gebracht dat hij te vrezen heeft vanwege afvalligheid, betekent op zichzelf nog niet dat daarmee in feite om bestuurlijke heroverweging wordt verzocht. Tegelijkertijd bevat de aanvraag verschillende aanknopingspunten voor de stelling dat daarmee juist niet om bestuurlijke heroverweging werd verzocht. Zo wordt in de toelichting op de aanvraag een beroep gedaan op de recent verslechterde veiligheidssituatie en - in het verlengde daarvan - op het recent gewijzigde beleid inzake Afghanistan.6 Ook vermeldt deze toelichting dat eiser nu overtuigd atheïst en humanist is, en dat hij dat niet aan zijn aanvraag van 13 maart 2018 ten grondslag heeft kunnen leggen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat eiser in de aanvraag heeft betoogd dat zijn eerdere aanvragen alsnog, met terugwerkende kracht, moeten worden ingewilligd.
2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3 ECLI:NL:RVS:2016:1759.
4 ECLI:NL:RVS:2021:1430.
5 M35-O.
6 WBV 2020/9.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet (ook) moet worden aangemerkt als een verzoek om bestuurlijke heroverweging. Verweerder heeft de ingangsdatum van de aan eiser verleende vergunning daarom terecht vastgesteld op 1 augustus 2020.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Documentcode: DSR21560199
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.