Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-07-22
ECLI:NL:RBDHA:2022:7663
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
949 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.12936
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft, na akkoord van partijen, bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Op 19 juli 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1988 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
3. Eiser heeft de zware en lichte gronden niet bestreden en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Eiser voert echter aan dat zich in het voortraject een gebrek voordoet, nu niet duidelijk is welk besluit aan eiser is uitgereikt. In het bestreden besluit staat vermeld dat uitreiking om 17:48 uur heeft plaatsgevonden terwijl het document pas om 19:14 uur digitaal is ondertekend. Dit is in strijd met artikel 5.3 van het Vb en vormt een ernstig gebrek. Door de onrechtmatigheid in de ophouding is de opgelegde maatregel onrechtmatig. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 maart 2021.
4. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
5. De rechtbank is van oordeel dat uit het aanvullend proces-verbaal van 7 juli 2022, gelezen in samenhang met het verweerschrift, blijkt dat een fysiek ondertekend exemplaar van de maatregel van bewaring is uitgereikt aan eiser op 7 juli 2022 om 19:04 uur. Deze maatregel, met handtekening in blauwe inkt, bevindt zich ook in het digitale dossier. Daarmee wijkt deze zaak af van de door eiser aangehaalde uitspraak. In dat geval was slechts sprake van een digitaal ondertekende maatregel en was er geen fysiek ondertekende maatregel aan eiser uitgereikt.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
ECLI:NL:RVS:2021:543.