Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-01-31
ECLI:NL:RBDHA:2022:760
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,922 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.3998
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[Naam] eiser,V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling van het beroep heeft, tezamen met de zaak NL21.3999, plaatsgevonden op 25 november 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Op 30 november 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder de gelegenheid gegeven te om schriftelijk te reageren op het beroep van eiser ter zitting op het arrest TQ.De rechtbank heeft daarbij aan verweerder verzocht om de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 9 november 2021 in zijn reactie te betrekken.
De schriftelijke reactie van verweerder is op 9 december 2021 ontvangen. De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld om hier schriftelijk op te reageren. De rechtbank heeft de reactie van eiser op 21 december 2021 ontvangen.
Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Wat aan het bestreden besluit vooraf ging
1. Eiser stelt [Naam] te heten, de Congolese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [Geb. datum] 2001. Hij heeft op 12 oktober 2017 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Op 13 september 2019 is deze aanvraag afgewezen. Tegelijkertijd is aan eiser, in afwachting van een beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw, voorlopig uitstel van vertrek verleend tot 13 maart 2020. Bij uitspraak van 13 oktober 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard.
2. Bij besluit van 13 maart 2020 heeft verweerder, in afwachting van de ambtshalve beoordeling op grond van artikel 64 van de Vw, opnieuw voorlopig uitstel van vertrek verleend tot uiterlijk 13 september 2020.
3. Bij besluit van 23 juni 2020 heeft verweerder eisers asielaanvraag opnieuw afgewezen. De gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn niet geloofwaardig bevonden. Uit het visum informatiesysteem van de Europese Unie (EU-Vis) blijkt namelijk dat eiser in Spanje een paspoort heef overgelegd waaruit volgt dat hij [Naam] heet, de Keniaanse nationaliteit bezit en is geboren op [Geb. datum 2] 1990. Dit besluit staat in rechte vast.
4. Op verzoek van verweerder heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) op 16 september 2020 een advies uitgebracht. Eiser lijdt aan diabetes mellitus type I en PTSS. Eiser weigert de noodzakelijke medicatie (insuline en psychofarmaca) en behandeling in het ziekenhuis. Daar zich ondanks deze weigering geen ernstige problemen hebben voorgedaan, wordt een medische noodsituatie op korte termijn niet verwacht. Desondanks kan een medische noodsituatie op korte termijn ook niet geheel worden uitgesloten. Volgens het BMA kan eiser reizen, mits - voor zover hier van belang - voorafgaande aan de reis wordt geregeld dat een directe fysieke overdracht van eiser aan een internist en schriftelijke overdracht van de medische gegevens op de luchthaven plaatsvindt.
5. Op 20 oktober 2020 heeft het BMA een aanvullend advies uitgebracht. Daarin concludeert BMA, kort gezegd, dat de medische zorg die eiser nodig heeft in Kenia aanwezig is.
6. Verweerder heeft bij het primaire besluit, onder verwijzing naar de adviezen van het BMA, geoordeeld dat aan eiser geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw wordt verleend. Hierbij heeft verweerder overwogen dat de overdracht van eiser voorafgaand aan het vertrek van eiser zal worden geregeld door de Afdeling Bijzonder Vertrek van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Daartoe zal contact worden gelegd met een internist van het [naam ziekenhuis] in [plaatsnaam] en afspraken worden gemaakt over de datum en de wijze waarop de medische behandeling wordt overgedragen. Zolang de medische overdracht niet is geregeld, zal eiser niet worden uitgezet.
Het bestreden besluit
7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder aanvullend overwogen dat verweerder er, op basis van de adviezen van het BMA, van uit mag gaan dat de voor eiser noodzakelijke medische zorg niet alleen aanwezig is in Kenia, maar dat deze voor eiser ook beschikbaar en toegankelijk is. Verder overweegt verweerder opnieuw dat de reis van eiser niet zal plaatsvinden voordat aan de reisvoorwaarden zoals opgenomen in het BMA-advies is voldaan. Het bestreden besluit dient tevens te worden aangemerkt als terugkeerbesluit.
8. Op wat eiser heeft daartegen heeft aangevoerd zal hierna worden ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Toegankelijkheid van de zorg
9. In geschil is allereerst of de medische zorg die eiser nodig heeft voor hem in Kenia daadwerkelijk toegankelijk is. Eiser heeft stelt dat niet het geval is. Eiser wijst erop dat hij geen financiële middelen heeft en ook geen sociaal netwerk in Kenia. Eiser kan zich niet verzekeren of de medische behandelingen zelf bekostigen. Uit openbare bronnen blijkt dat onverzekerden in Kenia niet beschermd zijn tegen de hoge ziekenhuiskosten. Het BMA heeft ten aanzien van de benodigde medicatie gewezen op de beschikbaarheid hiervan in een private instelling. Private zorg is echter erg duur en daarom niet toegankelijk voor eiser.
10. Zoals de Afdeling heeft overwogen volgt uit het arrest Paposhvili dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij door zijn gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) loopt en dat de noodzakelijke medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Eiser heeft geen stukken overgelegd die concreet betrekking hebben op zijn financiële positie, zijn familie of de eventuele kosten van de behandelingen. Reeds daarom is niet aannemelijk geworden dat eiser geen toegang heeft tot de noodzakelijke zorg. Het door eiser overgelegde rapport leidt niet tot een ander oordeel, temeer niet nu daaruit blijkt dat er een overheidsprogramma is gestart in Kenia waarmee gestreefd wordt naar landelijke dekking door een zorgverzekering in 2022. Deze informatie weerspreekt in feite eisers vrees dat hij bij terugkeer naar Kenia verstoken zal blijven van de noodzakelijke medische zorg. Deze beroepsgrond faalt.
Het beroep op het arrest TQ
11. Eiser stelt voorts dat verweerder het bestreden besluit niet mocht nemen voordat de begeleiding en de fysieke overdracht in overeenstemming met de reisvoorwaarden van het BMA waren geregeld. Uit het arrest TQ volgt immers dat de uitvaardiging van een terugkeerbesluit voordat verweerder zich ervan heeft vergewist dat een fysieke overdracht daadwerkelijk kan plaatsvinden, een gedoogsituatie oplevert die volgens het Hof in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. Uit de bewoordingen van het Hof kan niet worden opgemaakt dat het arrest uitsluitend betrekking heeft op alleenstaande minderjarige vreemdelingen, aldus eiser.
12. Het Hof heeft in het arrest TQ onder meer overwogen dat alvorens een terugkeerbesluit aan een alleenstaande minderjarige vreemdeling wordt uitgevaardigd, de lidstaat zich ervan moet overtuigen dat er voor de minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat wanneer een lidstaat dat nalaat, er een situatie ontstaat waarin er wel een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, maar de minderjarige niet kan worden verwijderd. Dit heeft tot gevolg dat de minderjarige in grote onzekerheid komt te verkeren over zijn wettelijke status en zijn toekomst, onder meer wat betreft zijn opleiding, zijn band met een pleeggezin of de mogelijkheid om in de betrokken lidstaat te blijven. Deze situatie, die neerkomt op een gedoogconstructie, is volgens het Hof onverenigbaar met het vereiste van artikel 5, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn en met artikel 24, tweede lid, van het Handvest om het belang van het kind in elke fase van de procedure te beschermen. Als geen adequate opvang aanwezig is in het land van terugkeer, kan aan de minderjarige daarom geen terugkeerbesluit worden uitgevaardigd.
13. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat het arrest TQ in de eerste plaats betrekking heeft op de (gedwongen) terugkeer van alleenstaande minderjarigen vreemdelingen, waarbij het Hof in het bijzonder gewicht heeft toegekend aan het belang van het kind. Aan eiser kan worden toegegeven dat het Hof in het arrest TQ ook in algemene zin overwegingen wijdt aan de systematiek van de Terugkeerrichtlijn, maar daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder aan eiser geen terugkeerbesluit mocht uitvaardigen. De rechtbank neemt hierbij allereerst in aanmerking dat verweerder zich, ter beantwoording van de vraag of het voor eiser verantwoord is om te reizen, heeft laten voorlichten door het BMA.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
\
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
ECLI:NL:RBDHA:2021:12304.
Vreemdelingenwet 2000.
NL19.21623.
Uitspraak van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 december 2020.
Eiser verwijst naar het rapport ‘Kenya Health Financing System Assessment’ van 2018.
De uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:571.
De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
Zie het rapport ‘Kenya Health Financing System Assessment van 2018’, p.55.
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008.
Het arrest TQ, punt 52.
Het arrest TQ, punt 53.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01).
Het arrest TQ, punt 54.
Het arrest TQ, punt 55 en 56.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1038.
De rechtbank verwijst hiervoor ook naar artikel 14, eerste lid, onder b en d, van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 10, tweede lid, van de Vw.