Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-06-20
ECLI:NL:RBDHA:2022:6057
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,224 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.10519
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 8 juni 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 9 juni 2022 een verweerschrift ingediend. Op 15 juni 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1978 en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en dat de openbare orde de maatregel vordert omdat er een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de juistheid van de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zicht op overdracht aan Frankrijk bestaat. Verweerder heeft eiser eerder in bewaring gesteld en dat heeft niet tot een overdracht geleid. Verweerder heeft nagelaten te motiveren waarom nu wel sprake zou zijn van zicht op overdracht. Eiser weigert namelijk nog steeds mee te werken aan een coronatest. Bij het opleggen van de maatregel van bewaring stond dan ook vast dat eiser niet tijdig zou kunnen worden overgedragen aan Frankrijk en dat maakt de maatregel onrechtmatig.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet en is van oordeel dat een redelijk vooruitzicht op overdracht niet ontbreekt. Verweerder mag van eiser actieve en volledige medewerking aan zijn overdracht verlangen, waaronder medewerking aan een PCR-test. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat de enkele weigering van een coronatest niet met zich brengt dat inbewaringstelling niet zou mogen plaatsvinden. Daarmee is namelijk niet gegeven dat overdracht niet binnen de in artikel 28, derde lid van de Dublinverordening genoemde termijn zal kunnen plaatsvinden. Dat eiser in het verleden niet heeft meegewerkt aan genoemde test maakt niet dat verweerder ervan uit had moeten gaan dat eiser in de toekomst weer die test zou weigeren en dat daarom het zicht op overdracht was komen te vervallen. Het al dan niet meewerken in de toekomst aan een coronatest is een onzekere toekomstige gebeurtenis waarvan niet op voorhand al kan worden geoordeeld dat zicht op overdracht ontbreekt. Het niet meewerken komt in zoverre dan ook voor rekening en risico van eiser.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) 604/2013.
Vreemdelingenbesluit 2000.
zie de uitspraken van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85, en 28 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:917.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.