Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-03-17
ECLI:NL:RBDHA:2022:2480
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,408 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 20-8420
Zaaknummer: C/09/603203
Datum beschikking: 17 maart 2022
Adoptie en inschrijving geboorteakte
Beschikking op het op 18 november 2020 ingekomen verzoekschrift van:
[Y] ,
verzoeker,
wonende te [woonplaats 1] , Canada,
en
[X] ,
verzoekster,
ten tijde van indiening van het verzoekschrift wonende te [woonplaats 2]
samen: verzoekers,
advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars te Vlissingen.
Als belanghebbende ten aanzien van de vaststelling geboortegegevens/inschrijving van de geboorteakte wordt aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage,
zetelend te ’s-Gravenhage,
hierna: de ambtenaar.
Als belanghebbende ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
zetelende te ’s-Gravenhage,
hierna: de IND.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
het verzoekschrift;
het bericht van 22 januari 2021 met bijlage van verzoekers;
het bericht van 29 maart 2021 van de ambtenaar;
het bericht van 8 april 2021 met bijlagen van verzoekers;
het bericht van 13 april 2021 met bijlage van verzoekers;
het bericht van 20 mei 2021 met bijlage van verzoekers;
het bericht van 8 juni 2021 met bijlagen van verzoekers;
het bericht van 13 augustus 2021 van de ambtenaar;
het bericht van 23 december 2021 van verzoekers.
Op 17 februari 2022 is de zaak op de videozitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn digitaal verschenen: verzoekers, bijgestaan door hun advocaat, en namens de ambtenaar [naam ambtenaar 1] en [naam ambtenaar 2]
Verzoek
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank:
- de adoptie door verzoeker uitspreekt van verzoekster;
verstaat dat verzoekster de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam Y] ” zal krijgen;
vaststelt dat verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft,
kosten rechtens.
Verweer van de ambtenaar
De ambtenaar heeft geen bezwaar tegen inschrijving van de buitenlandse geboorteakte in de registers van de burgerlijke stand, indien verzoekers de originele en gelegaliseerde geboorteakte met vertaling in het geding brengen.
De ambtenaar is geen belanghebbende ten aanzien van de verzoeken tot adoptie en vaststelling van de Nederlandse nationaliteit.
Beoordeling
De rechtbank overweegt dat het in deze zaak niet enkel gaat om het uitspreken van de Nederlandse adoptie van verzoekster door verzoeker, maar ook om de (vaststelling van de) Nederlandse nationaliteit van verzoekster. Dit verzoek is gestoeld op artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Dat artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat een ieder die daarbij een onmiddellijk belang heeft, bij de rechtbank Den Haag een verzoek kan indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap. Op de zitting is besproken dat de rechtbank helaas niet tijdig voor de zitting heeft geconstateerd dat de IND niet in de procedure is betrokken. Daarom zal de rechtbank de verdere behandeling van de verzoeken aanhouden om de IND in de gelegenheid te stellen uiterlijk binnen vier weken een schriftelijk standpunt in te nemen met betrekking tot het verzoek ex artikel 17 RWN. Op de zitting is namens verzoekers aangegeven een beroep op bezit van staat te doen en door de ambtenaar is gewezen op de mogelijke toepassing van artikel 10 RWN. Aan de IND wordt verzocht om over het bezit van staat en artikel 10 RWN in het schriftelijk verweer een standpunt in te nemen. Verzoekers zullen, na ontvangst hiervan, in de gelegenheid worden gesteld kort te reageren. De IND zal op een eventuele reactie van verzoekers nog kort mogen reageren.
Dictum
De rechtbank:
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken, het proces-verbaal en de beschikking aan de IND zal toesturen;
bepaalt dat de IND uiterlijk op 1 april 2022 de rechtbank van dit standpunt zal voorzien, met afschrift aan verzoekers;
bepaalt dat verzoekers uiterlijk op 1 mei 2022, voor zover daarop wordt prijs gesteld, kort schriftelijk mogen reageren op het standpunt van de IND;
bepaalt dat de IND desgewenst op laatstgenoemde reactie van verzoekers uiterlijk op 1 juni 2022 kort schriftelijk mag reageren;
bepaalt dat de behandeling van de verzoeken wordt aangehouden tot 1 juni 2022 pro forma in afwachting van het schriftelijk standpunt van de IND;
bepaalt dat de rechtbank hierna zal beslissen of de zaak op de stukken zal worden afgedaan of dat een nadere mondelinge behandeling nodig is;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. Alt-van Endt, J.T.W. van Ravenstein en A.M.M. Vingerling, rechters, tot stand gekomen in samenwerking met mr. M. Corver, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 maart 2022.