Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-06-01
ECLI:NL:RBDHA:2022:16306
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,056 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/9578
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2022 in de zaak tussen
[referente], referente
mede namens haar ouders:
[eiser 1]
, eiser 1
[eiseres 2]
, eiseres 2
en haar broer en zussen:
[eiseres 3]
, eiseres 3
[eiseres 4]
, eiseres 4
[eiseres 5]
, eiseres 5
[eiser 6]
, eiser 6
[eiseres 7]
, eiseres 7
[eiseres 8]
, eiseres 8
[eiseres 9]
, eiseres 9
[eiseres 10]
, eiseres 10
hierna tezamen aangeduid als eisers
(gemachtigde: mr. C.H.M. Geraedts),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: L. Verhaegh)
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de door [referente] (verder te noemen: referente), namens eisers ingediende aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ in het kader van de procedure Toegang en Verblijf (TEV), afgewezen.
Bij besluit van 3 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2022. Referente is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen B.G. Ghebremedhin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Referente is geboren op 1 februari 1998 en heeft de Eritrese nationaliteit. Referente is als alleenstaande minderjarige naar Nederland gekomen en heeft in Nederland een verblijfsvergunning asiel aangevraagd. Bij besluit van 19 oktober 2015 is aan referente een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.
2. Op 13 januari 2016 heeft referente een aanvraag “mvv nareis” ingediend voor haar ouders en een aanvraag “mvv familie en gezin” op grond van artikel 8 van het EVRM voor haar broer en zussen. Bij besluit van 14 november 2016 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de identiteit van haar ouders niet met documenten is aangetoond en dat eisers geen documenten hebben overgelegd die de familierechtelijke relatie tussen referente en haar ouders aantonen. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet beschikbaar zijn geweest voor onderzoek naar de familierechtelijke relatie op de ambassade in Addis Abeba in Ethiopië, waardoor niet kan worden beoordeeld of zij in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel en in het verlengde daarvan een (afhankelijke) verblijfsvergunning regulier. Omdat de (gestelde) ouders van referente niet in aanmerking komen voor een mvv, worden de broer en zussen van referente niet van hen gescheiden en kunnen zij het familieleven met hun ouders voortzetten. Verweerder heeft daarom besloten dat de broer en zussen van referente niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.
3. Tegen deze afwijzing van 14 november 2016 hebben eisers bezwaar gemaakt. Het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvragen is op 20 juli 2017 ondergrond verklaard. Deze rechtbank zittingsplaats Roermond heeft hij uitspraak van 15 mei 2018 het beroep dat tegen dit besluit is ingediend, ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het daartegen ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 29 juni 2018 ongegrond verklaard. De afwijzing staat daarmee in rechte vast.
4. Op 24 januari 2020 heeft referente voor eisers de onderhavige aanvraag voor een mvv ingediend, met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ in het kader van artikel 8 van het EVRM voor haar familieleden.
Standpunten partijen
5. Verweerder heeft de aanvraag van 24 januari 2020 afgewezen en deze afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij vastgesteld dat identiteit van de door referente gestelde broer en zussen niet is aangetoond en dat de familierechtelijke relatie tussen referente en haar gezinsleden niet is aangetoond. Verweerder gaat uit van bewijsnood maar biedt geen nader onderzoek aan ten behoeve van de vaststelling van de familierechtelijke relatie tussen referent en eisers, omdat op voorhand al duidelijk is dat de weigering een mvv te verlenen aan eisers niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft daarbij overwogen dat referente en haar ouders niet over voldoende middelen van bestaan beschikken en dat referente niet heeft aangetoond welke inspanningen zij heeft verricht om aan de middelenorm te voldoen. Het algemeen belang van de Nederlandse staat weegt volgens verweerder zwaarder dan het persoonlijke belang van eisers en referente. Het economische belang is in het nadeel van eisers gewogen, alsook het feit dat het een eerste toelating betreft en de eerdere aanvragen van referente zijn afgewezen. Daarnaast heeft verweerder het standpunt ingenomen dat weliswaar sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen, maar dat dit niet betekent dat de belangenafweging in het voordeel van eisers en referente uitvalt. Tot slot heeft verweerder in het nadeel van eisers meegewogen dat er sprake is van een langdurige, weliswaar onvrijwillige, scheiding van de gezinsleden en dat referente in Nederland stappen naar zelfstandigheid heeft gezet.
6. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Eisers zijn van mening dat verweerder ten onrechte het middelenvereiste aan referente heeft tegengeworpen en dat de voorgeschiedenis van referente, die eerst minderjarig en alleenstaand was en een vluchtelingenstatus heeft, niet voldoende door verweerder in de belangenafweging zijn betrokken. Eisers verwijzen in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2020, ECLI:RVS:2020:2780. Hierdoor is volgens eisers sprake van een motiveringsgebrek. Verder voeren eisers aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de redenen waarom de eerdere aanvraag is afgewezen en dat ten onrechte geen nader onderzoek is uitgevoerd naar de gezins- en familieband. Tot slot stellen eisers dat verweerder ten onrechte aan referente heeft tegengeworpen dat zij na pas 1,5 jaar een nieuwe aanvraag heeft ingediend en in Nederland stappen naar zelfstandigheid heeft gezet.
Toetsingskader
7. De rechtbank moet bij een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden bij de afweging heeft betrokken. De rechtbank dient dit vol te toetsen. Als alle belangen zijn meegewogen dient de rechtbank te beoordelen of de uitkomst van de weging getuigt van een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling(en) bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Dit laatste dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen.
7.1.
Daarbij is de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2780), die ter zitting aan de orde is gesteld en waarop eisers een beroep hebben gedaan, van belang. Alhoewel deze zaak betrekking had op een (opvolgende) aanvraag mvv-nareis en niet - zoals hier aan de orde - op een aanvraag voor een mvv-regulier, geeft de Afdeling (in rechtsoverweging 6.5) ook een oordeel over hoe om te gaan met de beoordeling van een reguliere mvv-aanvraag in het geval dat, zoals hier aan de orde, een voormalige asielzoeker via de reguliere procedure om gezinshereniging verzoekt nadat eerdere aanvragen voor een mvv-nareis zijn afgewezen en de voormalige asielzoeker na afwijzing van de eerdere aanvraag voor een mvv-nareis meerderjarig is geworden. De Afdeling overweegt dat - om geen afbreuk te doen aan doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn - de staatssecretaris in zo’n geval bij de beoordeling van een reguliere mvv-aanvraag rekening moet houden met de voorgeschiedenis van een aanvankelijk minderjarige, alleenstaande, referent met een vluchtelingenachtergrond. Dit betekent volgens de Afdeling dat de staatssecretaris in zijn belangenafweging in het bijzonder rekening moet houden met de leeftijd en vluchtelingenstatus (dan wel subsidiaire beschermingsstatus) van die referent, de behandelduur van de eerste mvv-aanvraag en de redenen waarom die aanvraag niet gehonoreerd kon worden. In het geval van een jongmeerderjarige is het beleid voor jongvolwassen van toepassing, waardoor niet vereist is dat er een meer dan gebruikelijk afhankelijkheidsrelatie bestaat en beoordeeld dient te worden of vrijstelling verleend moet worden van de verplichting om stabiele en regelmatige inkomsten te hebben en de verplichting om leges te betalen.
Beoordeling
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt niet aan de kaders die de Afdeling in de hierboven genoemde uitspraak heeft gegeven en geeft de belangenafweging geen blijk van een “fair balance”. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle feiten en omstandigheden die bij de belangenafweging hadden moeten worden betrokken, ook voldoende kenbaar heeft meegewogen. Het gaat daarbij met name om de feiten en omstandigheden die de voorgeschiedenis van referente betreffen en de voorafgaande eerste mvv-procedure.
8.2.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet kenbaar betrokken dat referente een vluchtelingenachtergrond heeft en dat zij als alleenstaande minderjarige naar Nederland is gekomen. Verweerder heeft in het bestreden besluit omtrent de subsidiaire beschermingsstatus weliswaar genoemd dat aan referente een verblijfsvergunning asiel is verleend, maar heeft er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende blijk van gegeven welk gewicht hieraan in het kader van de belangenafweging wordt toegekend. Ten aanzien van de leeftijd van referente heeft verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar als zelfstandige factor (ten voordele) meegewogen dat referente minderjarig was bij haar binnenkomst in Nederland. Wel heeft verweerder in het voordeel van referente meegewogen dat er gelet op haar asielvergunning een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen, maar niet inzichtelijk gemaakt waarom dit niet doorslaggevend is, nu het hier gaat om gezinsleven met een jongvolwassene.
8.3.
Uit de belangenafweging in deze procedure blijkt verder niet dat de behandelduur van de eerste mvv-aanvraag in het kader van nareis en de redenen waarom die aanvraag niet is gehonoreerd, zijn betrokken. Ter zitting heeft referente toegelicht dat de reden voor het tijdsverloop voorafgaande aan de onderhavige mvv-aanvraag, was gelegen in het feit dat het voor eisers eerder onmogelijk was om de mvv-aanvraag te completeren als gevolg van de bemoeilijkte uitreis naar Ethiopië. Doordat de uitreis pas in 2018 heeft kunnen plaatsvinden, was het voor eisers niet eerder mogelijk om de benodigde gegevens in te dienen. Referente heeft ter zitting toegelicht dat dit mede de reden was dat de eerdere mvv-aanvraag is afgewezen en dat die procedure langer heeft geduurd. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat bekend is dat er eerst niet uitgereisd kon worden en dat dit meegewogen is. Hoewel dit niet is gelegen in de invloedsfeer van verweerder, is de rechtbank van oordeel dat eisers deze omstandigheid niet kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank deze omstandigheden en de redenen waarom de eerdere mvv- aanvraag niet is gehonoreerd, niet kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Ook acht de rechtbank hierbij van belang dat eisers inmiddels illegaal van Eritrea naar Ethiopië zijn gereisd, wat betekent dat zij niet zonder meer terug naar het land van herkomst kunnen gaan.
8.4.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder het feit dat het vertrek van referente uit Eritrea, de scheiding van haar familie en haar ontwikkeling naar zelfstandigheid gezien het verloop van de gebeurtenissen voor haar geen vrijwillige keuze zijn geweest, heeft meegewogen ten voordele van eisers. Dat vervolgens in het nadeel van eisers wordt meegewogen dat referente en al meer dat vijf jaar gescheiden van haar familieleden leeft, acht de rechtbank daarom niet redelijk. Verweerder heeft daarmee onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij het vertrek van referente uit Eritrea en de onvrijwillige scheiding van haar familieleden, ten voordele van eisers heeft laten meewegen en welk gewicht daaraan is toegekend.
Conclusie
9. Het voorgaande brengt met zich dat verweerder de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De stelling van verweerder dat op voorhand al duidelijk is dat de weigering een mvv te verlenen aan eisers niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, volgt de rechtbank daarom niet. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en kan daarom niet in stand blijven. De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.
9.1.
Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen. Omdat verweerder mogelijk kan besluiten alsnog een onderzoek naar de familierechtelijke relatie aan te bieden, zal de rechtbank geen termijn stellen aan het nieuw te nemen besluit.
Griffierecht en proceskosten
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van
deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.518,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr.N.A.M. Bergmans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2022.
griffier rechter
De rechter is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: 1 juni 2022.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Op grond van artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).