Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-01-14
ECLI:NL:RBDHA:2022:159
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,792 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/6153
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: M.J.M. Bergers),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: I. Metaal).
Procesverloop
In het besluit van 8 juli 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd.
In het besluit van 10 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2021 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Verweerder heeft van de politie een melding gekregen dat eiser zich onverantwoord heeft gedragen in het verkeer. Volgens de politie heeft eiser, als instructeur van een lesauto, op de snelweg een rood kruis op het matrixbord genegeerd en is hij bij de afrit door pionnen heen gereden die ter plaatse als wegafzetting dienden. Gelet op die informatie heeft verweerder het vermoeden dat eiser niet langer voldoet aan de vereiste rijvaardigheid. Verweerder heeft daarom besloten dat eiser een verplichte cursus moet volgen over verantwoord rijgedrag (EMG).
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat verweerder de informatie van de politie niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit. De informatie klopt namelijk niet. Zo waren er geen matrixborden met rode kruizen aanwezig, waardoor niet duidelijk was dat de afrit afgesloten was. Ook was het voor de politie onmogelijk om, vanaf de plek waar zij stonden, te zien of er rode kruizen op de matrixborden stonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3.1
Een EMG wordt opgelegd door verweerder als iemand tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht die in de Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) staan vermeld. Bij zo’n belastend besluit ligt de bewijslast bij verweerder. Dit betekent dat verweerder nauwkeurig moet onderzoeken of voldoende vast is komen te staan dat het rijgedrag van eiser zodanig is geweest dat een EMG moet worden opgelegd.
3.2
Uit het mutatierapport van de politie volgt dat eiser, net als een groot aantal andere bestuurders, rode kruizen heeft genegeerd en een afgesloten afrit is opgereden. Hij is daarbij ook tussen pionnen doorgereden die als wegafzetting dienden. In het mutatierapport is verder informatie van Rijkswaterstaat opgenomen over wat er op de betreffende matrixborden stond weergegeven. Tot slot zijn in het mutatierapport verklaringen van eiser opgenomen over het incident. Eiser heeft verklaard dat het voor hem onmogelijk was om de auto terug te sturen naar de juiste rijstrook, omdat zijn leerling wilde insturen om de afrit op te rijden.
3.3
Partijen zijn het niet eens over de vraag of verweerder mocht uitgaan van de juistheid van de informatie die door de politie is verstrekt en of voldoende vaststaat dat eiser de gedragingen heeft verricht.
3.4
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter kan een vermoeden van niet voldoen aan de vereiste rijvaardigheid ook worden gebaseerd op een mutatierapport (in plaats van een proces-verbaal). Aan een mutatierapport komt minder bewijskracht toe dan aan een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal waarin de geconstateerde strafbare feiten nauwkeurig zijn omschreven. Dit betekent niet dat aan een mutatierapport voorbij moet worden gegaan in het geval de betrokkene enkel stelt dat de door hem afgelegde verklaring onjuist is weergegeven in het mutatierapport.
3.5
De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht uitgaan van de informatie in het mutatierapport. In het mutatierapport is namelijk met informatie (van onder meer Rijkswaterstaat) onderbouwd dat er pijlen en rode kruizen op de matrixborden stonden weergegeven. De enkele stelling van eiser dat er geen rode kruizen aanwezig waren, is onvoldoende om dit te weerleggen. Hij heeft dit namelijk niet onderbouwd met tegenbewijs. De rechtbank twijfelt daarom niet aan de inhoud van het mutatierapport. Ook de stelling dat het voor de politieambtenaren onmogelijk was om de rode kruizen te zien vanaf hun positie, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het mutatierapport blijkt namelijk dat de politieambtenaren bij het aanrijden naar de afrit al zagen dat een aantal rijstroken was afgesloten. Tot slot is ook de niet onderbouwde stelling van eiser dat hij contact heeft met Rijkswaterstaat onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
3.6
Gelet op het voorgaande mocht verweerder er dus van uitgaan dat eiser de genoemde overtredingen heeft begaan. Op grond daarvan heeft verweerder mogen concluderen dat een vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de vereiste rijgeschiktheid. In dat geval is verweerder verplicht om eiser een EMG op te leggen.
Wat is de conclusie?
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, in samenhang gelezen met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4069.