Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-23
ECLI:NL:RBDHA:2022:15391
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,684 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.19020
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
Eiser heeft op 7 april 2022 bij verweerder een verzoek ingediend tot teruggave van zijn paspoort.
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 7 april 2022.
Verweerder heeft op dit beroep niet gereageerd.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
3. De teruggave van een paspoort is een feitelijke handeling jegens een vreemdeling die op grond van artikel 72, derde lid, wordt gelijkgesteld met een besluit. Op grond van de schakelbepaling van artikel 6:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen tegen deze feitelijke handelingen rechtsmiddelen worden aangewend, waaronder het instellen van een beroep tegen het niet tijdig verrichten van de feitelijke handeling.
4. Eiser heeft verweerder op 7 april 2022 verzocht om zijn paspoort terug te geven. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen verweerder een dergelijke feitelijke
handeling moet uitvoeren. Van belang is wel dat verweerder de feitelijke handeling niet onredelijk laat verricht.1
5. De rechtbank beslist dat het beroep ontvankelijk is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Eiser heeft verweerder op 19 mei 2022 in gebreke gesteld. Gelet op het grote belang dat eiser heeft bij de teruggave van zijn paspoort, acht de rechtbank deze termijn niet evident onredelijk. Verweerder heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een beslissing genomen. Ook is niet gebleken dat verweerder inmiddels het paspoort aan eiser heeft teruggegeven of een afwijzende beslissing op zijn verzoek heeft genomen.
6. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vast te stellen dat verweerder een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd vanwege het niet tijdig teruggeven van zijn paspoort.
7. De rechtbank oordeelt dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd. De schakelbepaling van artikel 6:1 van de Awb verklaart alleen hoofdstukken 6 en 7 van de Awb van overeenkomstige toepassing op feitelijke handelingen waartegen bezwaar en beroep openstaan. De bepalingen over het verbeuren van een bestuurlijke dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen staan in hoofdstuk 4 van de Awb. Deze bepalingen zijn dus niet van overeenkomstige toepassing verklaard op rechtens relevante feitelijke handelingen. Dit betekent dat verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is.2
8. Omdat verweerder nog geen beslissing heeft genomen over de teruggave van het paspoort, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Omdat verweerder niet heeft gereageerd op het beroep, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van een langere termijn.
9. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de in overweging 8 genoemde termijn overschrijdt. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1/2. De rechtbank is van oordeel dat het ingestelde beroep van licht gewicht is, omdat deze zaak alleen gaat over de tijdigheid van het verrichten van een feitelijke handeling. Toegekend wordt dus € 379,50.
1. Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:308 in combinatie met de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1025.
2 Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Centrale Raad) van 18 juni 2021,
ECLI:NL:CRVB:2021:1484
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op het verzoek tot teruggave van het paspoort te nemen;
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 november 2022
Documentcode: [documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.