Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-02-23
ECLI:NL:RBDHA:2022:1433
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,646 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.1964
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. H. Drenth,
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
gemachtigde: mr. Y. ten Cate.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek ter zitting is heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te geven over het zicht op uitzetting naar Algerije. Verweerder heeft bij schrijven van 21 februari 2022 gereageerd. Gemachtigde van eiser heeft bij schrijven van 22 februari 2022 gereageerd.
Overwegingen
1. Eiser stelt van onbekende nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2.1
Ter zitting heeft verweerder de lichte grond onder 4b laten vallen.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat, wanneer in het terugkeerbesluit niet het land is vermeld waarnaar eiser dient terug te keren, dit terugkeerbesluit niet correct is. Eiser wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1155).
3.1
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een rechtmatig terugkeerbesluit. In het besluit van 6 juli 2020 is de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. In dat besluit staat ook dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft en dat hij Nederland dient te verlaten. Er staat inderdaad niet dat eiser moet terugkeren naar Algerije, maar in het besluit wordt Algerije genoemd als eisers nationaliteit en de aanvraag is (mede) afgewezen omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst (Algerije). Uit deze combinatie van omstandigheden blijkt voldoende duidelijk dat verweerder eiser heeft verplicht om terug te keren naar Algerije. Dat in het bestreden besluit niet staat dat eiser moet terugkeren naar zijn land van herkomst acht de rechtbank niet doorslaggevend. De zin dat de vreemdeling Nederland moet verlaten is namelijk altijd al breder opgevat.
4. Eiser is van mening dat er een gebrek aan de ophouding kleeft, omdat deze meer dan de voorgeschreven termijn van zes uur heeft geduurd.
4.1
Uit het proces-verbaal van ophouding blijkt dat eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw) om 13:30 uur is opgehouden. Die ophouding heeft tot 19:30 uur geduurd. Mocht hierdoor al sprake zijn van een termijnoverschrijding, dan is deze maximaal één minuut. Dat is dusdanig kort dat dit naar het oordeel van de rechtbank niet leidt tot een onrechtmatigheid en evenmin tot een belangenafweging. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser stelt zich vervolgens op het standpunt dat sprake is van een aanknopingspunt voor de toepasselijkheid van de Dublinverordening, zodat eiser op de verkeerde grondslag in bewaring is gesteld. Eiser stelt dat dat aanknopingspunt is gelegen in het pasje van een hulpverlenende instantie in Duitsland, dat zich in het dossier bevindt. Nederland had een claimverzoek moeten indienen bij Duitsland op grond van de Dublinverordening.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is van aanknopingspunten voor de toepasselijkheid van de Dublinverordening. Eiser heeft eerder asiel aangevraagd in Duitsland en is toen op grond van de Dublinverordening aan Nederland overgedragen. Daarna is eiser kennelijk weer naar Duitsland gereisd. Uit het pasje van de hulporganisatie blijkt op zichzelf niet dat eiser (opnieuw) asiel heeft aangevraagd in Duitsland en er ook is niet gebleken van een Eurodac treffer. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Voor wat betreft de (feitelijke) gronden waar de maatregel op berust, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft niet betwist dat hij zonder de juiste documenten Nederland is ingereisd. Daarmee heeft hij de feitelijke juistheid van de zware grond 3a niet betwist. Eiser heeft wel betwist dat eiser eerder een terugkeerbesluit heeft ontvangen (en daarmee de feitelijke juistheid van grond 3c), maar gelet op wat hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 3.1, kan die betwisting niet slagen. Eiser heeft met betrekking tot de zware grond 3d gesteld dat hij zo goed als hij kon het een en ander heeft uitgelegd. Daarmee heeft hij echter de feitelijke juistheid van de toelichting van deze zware grond ook niet betwist. Deze drie gronden zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. De overige gronden hoeven geen bespreking meer.
7. Eiser stelt dat verweerder met een lichter middel had kunnen volstaan nu hij zelf Nederland kan verlaten met een pasje van een hulpverlenende instantie in Duitsland.
7.1
De rechtbank overweegt als volgt.
Verweerder heeft zich met de in de maatregel van bewaring gegeven motivering terecht op het standpunt gesteld dat een minder ver strekkende maatregel in het geval van eiser niet doeltreffend kon worden toegepast. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat op het door eiser overgelegde pasje van een hulpverlenende instantie in Duitsland andere personalia staan en dat eiser zich in het verleden van verschillende aliassen heeft bediend. Eiser heeft de identiteit die op het pasje staat niet met identificerende documenten onderbouwd. Daarnaast heeft eiser zich meerdere keren aan het toezicht onttrokken en verklaard niet zelfstandig terug te zullen keren naar Algerije. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Eiser stelt verder dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
8.1
In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Uit het dossier blijkt dat er op 9 februari 2022 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden.
9.1
Ten slotte stelt eiser dat geen zicht op uitzetting naar Algerije bestaat en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2021. Eiser verwijst verder naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Rotterdam (NL22.1828), Arnhem (NL22.110) en Middelburg (NL22.150), waarin is geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Algerije nog altijd ontbreekt. Eiser heeft tijdens de zitting en in reactie op de door verweerder verstrekte inlichtingen – kortgezegd – gesteld dat de omstandigheden dat presentaties plaatsvinden en dat de consul een toezegging heeft gedaan met betrekking tot de verstrekking van lp’s voor gedwongen vertrek, onvoldoende concreet is om zicht op uitzetting te kunnen aannemen. Hiermee is onvoldoende onderbouwd dat de Algerijnse autoriteiten nu ineens wel hun medewerking zouden verlenen. Van verweerder mag worden verwacht dat hij het zicht op uitzetting onderbouwd met een geslaagde gedwongen uitzetting, of minimaal één afgegeven lp voor gedwongen vertrek.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum:
De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2369
Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9111
Zie ECLI:NL:RVS:2021:2092