Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-12-06
ECLI:NL:RBDHA:2022:13140
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,826 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/7413
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2022 in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
gemachtigde: mr. T. Sönmez,
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 23 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser(s gemachtigde) in de gelegenheid te stellen uit te zoeken of hij (nog) procesbelang heeft bij zijn beroep.
Op 8 en 14 juni 2022 heeft eiser(s gemachtigde) reacties ingediend.
Bij brief van 17 juni 2022 heeft de rechtbank verweerder verzocht een reactie te geven op enkele vragen van de rechtbank.
Op 6 juli 2022 heeft verweerder een reactie ingediend.
Op 13 juli 2022 heeft eiser(s gemachtigde) een nadere reactie ingediend.
Nadat geen van partijen, in reactie op de brief van de rechtbank van 13 juli 2022, heeft laten weten op een nadere zitting door de rechtbank te willen worden gehoord, heeft de rechtbank op 26 augustus 2022 bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1988 en heeft de Albanese nationaliteit. Hij is op 21 september 2013, in Roemenië, getrouwd met [naam referente] (hierna: referente). Referente is geboren op [geboortedatum 2] 1989 en heeft de Roemeense nationaliteit; zij is dus een Unieburger.
1.2.
Op 12 oktober 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt (hierna: verblijfsdocument EU/EER), op de grond ‘verblijf als echtgenoot/partner van een Unieburger (zijnde referente)’. Bij besluit van 13 januari 2016 heeft verweerder deze aanvraag ingewilligd en aan eiser een verblijfsdocument EU/EER toegekend, met een geldigheidsduur van vijf jaar.
1.3.
Op 3 november 2020 heeft eiser (opnieuw) een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op de grond ‘verblijf als echtgenoot/partner van een Unieburger (zijnde referente)’. Omdat verweerder is gaan twijfelen over de oprechtheid van de huwelijksrelatie tussen eiser en referente, heeft er op 10 juni 2021 een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij verweerder eiser en referente heeft gehoord over hun (gestelde) huwelijksrelatie. Bij het primaire besluit (van 16 juli 2021) heeft verweerder deze aanvraag van eiser afgewezen. Aan die afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er, gezien (onder meer) de tegenstrijdige, uiteenlopende en ongeloofwaardige verklaringen van eiser en referente tijdens het gehoor, tussen eiser en referente sprake is van een schijnhuwelijk (zijnde een huwelijk dat is aangegaan met als enig doel om één van de echtgenoten – in dit geval eiser – het door het Unierecht gewaarborgde recht van vrij verkeer en verblijf te verschaffen). Bij het bestreden besluit (van 23 november 2021) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Deze uitspraak gaat over dit beroep.
1.4.
Op 21 juli 2021 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat hij voornemens is eisers rechtmatig verblijf met terugwerkende kracht tot 13 januari 2016 in te trekken. Bij besluit van 23 december 2021 heeft verweerder vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan, dat bij besluit van 13 januari 2016 was aangenomen, nimmer heeft bestaan. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Deze procedure loopt nog. Deze uitspraak gaat niet over het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2021.
1.5.
Op 14 augustus 2021 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op de grond ‘voortgezet verblijf na verbreking (huwelijks)relatie met een Unieburger’. Bij besluit van 19 januari 2022 heeft verweerder deze aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ook deze procedure loopt nog. Deze uitspraak gaat ook niet over het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2022.
1.6.
In zijn beroepschrift heeft eiser te kennen gegeven dat hij en referente sinds 2019 feitelijk zijn gescheiden.
Procesbelang
2. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser (nog) procesbelang heeft bij zijn beroep.
3. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:615). Er kan geen uitspraak van de bestuursrechter worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:186).
4.1.
Aan deze procedure ligt ten grondslag eisers aanvraag van 3 november 2020 tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op de grond ‘verblijf als echtgenoot/partner van een Unieburger (zijnde referente)’ en in deze beroepsprocedure gaat het in hoofdzaak om de (gehandhaafde) afwijzing van deze aanvraag. Het resultaat/rechtsgevolg dat eiser in deze beroepsprocedure, in het geval hij volledig gelijk zou krijgen, hoogstens kan bereiken is dat hij (met ingang van de datum van deze uitspraak dan wel een nog te nemen toekenningsbesluit) een verblijfsdocument EU/EER op de grond ‘verblijf als echtgenoot/partner van een Unieburger (zijnde referente)’ krijgt, waar hij in zijn (deze procedure inleidende) aanvraag van 3 november 2020 om had verzocht. In zijn beroepschrift (zie overweging 1.6.) heeft eiser echter laten weten dat hij en referente sinds 2019 – dat is dus nog vóór zijn aanvraag – feitelijk zijn gescheiden en ter zitting heeft eiser(s gemachtigde) te kennen gegeven dat hij “deze procedure niet interessant vindt”, dat “dit stukje doodloopt” en dat “het hem gaat om rechtmatig verblijf tot 2019”. Dit laatstgenoemde resultaat/rechtsgevolg kan eiser in deze beroepsprocedure echter niet bereiken; dit moet hij (proberen te) bewerkstelligen in de procedure als weergegeven in overweging 1.4. (aangaande de vaststelling dat zijn verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan nimmer heeft bestaan). Evenmin kan eiser in deze procedure bereiken dat aan hem een verblijfsdocument EU/EER op de grond ‘voortgezet verblijf na verbreking (huwelijks)relatie met een Unieburger’ wordt toegekend; dit moet hij (proberen te) bewerkstellingen in de procedure als weergegeven in overweging 1.5. (aangaande de afwijzing van zijn aanvraag van 14 augustus 2021 tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER voor voortgezet verblijf).
4.2.
Uit het voorgaande volgt dat eiser geen prijs (meer) stelt op het resultaat/rechtsgevolg dat hij in deze beroepsprocedure kan bereiken, terwijl hij de resultaten/rechtsgevolgen die hij wel beoogt te bereiken niet in deze beroepsprocedure kan bereiken, maar slechts in zijn andere lopende procedures tegen verweerder. Nu eiser dus geen prijs (meer) stelt op het resultaat/rechtsgevolg dat hij in deze beroepsprocedure kan bereiken – te weten: de verkrijging van een verblijfsdocument EU/EER op de grond ‘verblijf als echtgenoot/partner van een Unieburger (zijnde referente)’ – is in de verkrijging van dit resultaat/rechtsgevolg geen procesbelang bij het beroep gelegen.
5.1.
In zijn schriftelijke reacties na de zitting heeft eiser te kennen gegeven dat zijn procesbelang in deze beroepsprocedure erin is gelegen te voorkomen dat het oordeel van verweerder in het bestreden besluit (waarbij het primaire besluit is gehandhaafd) dat er reeds vanaf het begin sprake is van een schijnhuwelijk tussen eiser en referente, in rechte vast komt te staan, met als gevolg dat dit oordeel in de andere lopende procedures van eiser als een vaststaand gegeven wordt aangenomen.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4182, en van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 8 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3229, ziet de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard.
5.3.
Verweerders oordeel in het bestreden besluit dat er reeds vanaf het begin sprake is van een schijnhuwelijk tussen eiser en referente betreft een oordeel van juridische aard. Indien het bestreden besluit in rechte komt vast te staan, strekt de formele rechtskracht zich niet uit tot dit oordeel van juridische aard, maar slechts tot het rechtgevolg dat met het bestreden besluit tot stand is gebracht, wat in dit geval is dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning EU/EER op de grond ‘verblijf als echtgenoot/partner van een Unieburger (zijnde referente)’.
Conclusie
7. Nu eiser geen procesbelang heeft bij zijn beroep, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank niet inhoudelijk op het bestreden besluit ingaat.
Het heeft uitdrukkelijk niet tot gevolg dat vaststaat dat eiser en referente reeds vanaf het begin een schijnhuwelijk hebben. Eiser kan dit standpunt van verweerder in zijn lopende procedures ten volle inhoudelijk betwisten.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 december 2022.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.