Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-07-12
ECLI:NL:RBDHA:2022:12470
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,641 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL22.4472 en NL22.4476
[v nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedatum] , eiseres en verzoekster: eiseres
mede namens haar zoon,
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 2012, eiser en verzoeker: eiser
beiden van Ghanese nationaliteit, gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J. Werner),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 februari 2022 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Op 16 maart 2022 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Als tolk in de Engelse taal is verschenen [naam] . Ook was op de zitting aanwezig de heer [naam] (referent).
Overwegingen
Ten aanzien van de verzoeken om vrijstelling tot het betalen van de griffierechten
1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van de griffierechten vanwege betalingsonmacht. De rechtbank ziet in het geval van eiser aanleiding om de verzoeken toe te wijzen, zodat eiser in beide zaken is vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van de griffierechten.
Ten aanzien van het beroep
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
2. Eisers beogen verblijf bij referent, de gestelde partner van eiseres. Verweerder heeft vanwege een aantal indicatoren en een gesteld gegrond vermoeden van misbruik, onderzoek verricht naar het huwelijk van eiseres en referent. Verweerder heeft vastgesteld dat tussen eiseres en referent sprake is van een opvallend leeftijdsverschil, dat er meerdere personen staan ingeschreven op het BRP-adres en dat eisers pas op 16 maart 2021 een aanvraag hebben ingediend om in Nederland te verblijven. Verweerder heeft eiseres en referent op grond van deze indicatoren op 26 augustus 2021 gehoord over hun huwelijk.
Besluitvorming
3.1
Verweerder stelt dat op grond van de vastgestelde indicatoren op goede gronden een onderzoek is ingesteld en dat uit dit onderzoek eenduidig is gebleken dat sprake is van een schijnhuwelijk.
3.2
Volgens verweerder volgt uit artikel 35 van de Richtlijn 2004/38 en de Richtsnoeren COM 2009, 313, dat lidstaten individuele gevallen mogen onderzoeken bij een gegrond vermoeden van misbruik. Daarbij mogen lidstaten zich baseren op eerdere analyses en ervaringen die aantonen dat er een verband bestaat tussen gevallen waarin misbruik is bewezen en bepaalde kenmerken van deze gevallen.
3.3
Uit het dossier is volgens verweerder gebleken dat er indicatoren zijn die – in samenhang bezien – het instellen van een onderzoek naar de vraag of sprake is van misbruik van de Richtlijn rechtvaardigen. Verweerder stelt dat indicatoren altijd in samenhang worden bezien en dat het samenstel van de indicatoren aanleiding is geweest om nader onderzoek te doen. Daarnaast is uit de aanvraag en de overgelegde stukken gebleken dat sprake was van indicatoren die tot nader onderzoek noopten, aldus verweerder.
3.4
Volgens verweerder is het leeftijdsverschil niet op zichzelf reden geweest om nader onderzoek te doen. Dat geldt volgens verweerder ook voor de indicator dat referent ten tijde van de aanvraag met meerdere personen stond ingeschreven op hetzelfde adres. Verweerder stelt dat dit punt deels is toegelicht, maar dat er desondanks vragen zijn bestaan. Zo is op het adres sprake van woonfraude; dienen eisers en referent het adres te verlaten en/of zich uit te schrijven; is eiser niet genoemd als woonachtig op het adres in de brief van Eigen Haard; en is onduidelijk wie de personen zijn die ingeschreven stonden op het adres en waarmee eisers ten tijde van de aanvraag samenwoonden.
3.5
Verweerder stelt dat onderzoek mag worden verricht naar de omstandigheid dat eiseres en referent in 2016 zijn gehuwd en de manier waarop zij invulling hebben gegeven aan het huwelijk. Ook kan onderzoek worden verricht naar de reden waarom eisers zich pas in 2021 bij referent hebben gevoegd.
3.6
Volgens verweerder zijn eisers en referent niet in hun belangen geschaad vanwege de Facebookbevindingen, omdat zij tijdens het gehoor in de gelegenheid zijn gesteld om daarover te verklaren. Verweerder stelt dat geen sprake is van een heimelijk schijnhuwelijksonderzoek, omdat de indicatoren op zichzelf geen reden zijn om een aanvraag af te wijzen of in te willigen. De indicatoren leiden enkel tot het instellen van een onderzoek zonder dat conclusies worden getrokken. Op grond van de genoemde indicatoren is onderzoek verricht en pas na het gehoor is geconcludeerd dat sprake is van een schijnhuwelijk.
Wat vinden eisers in beroep?
4. In beroep heeft eiseres het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. De rechtbank behandelt hierna eerst de beroepsgrond die ziet op de vraag of verweerder onderzoek mocht doen naar de echtheid van het huwelijk en daarna de beroepsgrond die ziet op de vraag of eiseres en referent een huwelijk zijn aangegaan met als enig doel het aan eiseres verschaffen van een verblijfsrecht in Nederland.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiseres op [medio] mei 2016 in Ghana met referent is gehuwd. Dit sluit echter niet uit dat er sprake zou kunnen zijn van een schijnhuwelijk, zijnde een huwelijk dat is aangegaan met als enig doel om één van de echtgenoten – in dit geval eiseres – het door het Unierecht gewaarborgde recht van vrij verkeer en verblijf te verschaffen, waarop die echtgenoot anders geen aanspraak zou kunnen maken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2006, rechtsoverweging 4.4) volgt dat de bewijslast voor het bestaan van een schijnhuwelijk op verweerder rust.
Mocht verweerder onderzoek doen naar de echtheid van het huwelijk?
6.1
De rechtbank overweegt dat uit paragraaf 4.2 van de Richtsnoeren volgt dat lidstaten individuele gevallen mogen onderzoeken wanneer een gegrond vermoeden van misbruik of fraude bestaat. Zoals de Afdeling heeft overwogen, heeft verweerder beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wanneer een vermoeden van misbruik mag worden aangenomen. De in de Richtsnoeren opgenomen lijst met concrete aanwijzingen die kunnen leiden tot het instellen van een onderzoek naar eventueel misbruik heeft een niet-limitatief karakter. Het staat verweerder dan ook vrij andere omstandigheden in de beoordeling te betrekken. Dit neemt echter niet weg dat de bestuursrechter moet toetsen of de door verweerder daartoe in aanmerking genomen concrete aanwijzingen het instellen van een onderzoek rechtvaardigen.
6.2
In deze zaak heeft verweerder de volgende indicatoren ten grondslag gelegd aan zijn beslissing om nader onderzoek te doen naar de echtheid van de relatie van eiseres en referent:
- het leeftijdsverschil tussen beiden van zeventien jaar;
- het feit dat er meerdere personen staan ingeschreven op het adres in de BRP;
- het feit dat eiseres en haar zoon tot op heden niet zijn ingeschreven in de BRP;
- dat eiseres en referent op [medio] mei 2016 zijn gehuwd, maar dat eiseres pas op 16 maart 2021 een aanvraag heeft ingediend om in Nederland te verblijven.
6.3
Eiseres heeft gereageerd op de vastgestelde indicatoren. Verweerder heeft de indicator die ziet op de omstandigheid dat eiseres en haar zoon niet staan ingeschreven in de BRP laten vallen. Tijdens het gehoor van 26 augustus 2021 heeft verweerder echter nog een indicator genoemd, te weten de bevindingen uit het Facebookaccount van referent die vragen oproepen over de aard van de relatie tussen eiseres en referent. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet in haar belangen is geschaad doordat verweerder deze laatste indicator op de hoorzitting aan haar kenbaar heeft gemaakt, en niet daarvoor. De rechtbank vindt steun voor dat oordeel in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 29 september 2021. Eiseres is in staat gesteld om te reageren op de indicator en verweerder heeft haar reactie betrokken in het bestreden besluit. Verder is van belang dat het voor eiseres voorafgaand aan het gehoor voldoende duidelijk was dat verweerder een gegrond vermoeden van misbruik had en dat zij zou worden gehoord vanwege het vermoeden van een schijnhuwelijk.
Dictum
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL22.4472,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL22.4476,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/ voorzieningenrechter, in alle zaken,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.277,-.
Basisregistratie Personen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2006.
ECLI:NL:RBDHA:2021:16538