Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-09
ECLI:NL:RBDHA:2022:11721
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
2,799 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.14499
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 november 2022 in de zaak tussen
[verzoeker] , v-nummer [nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van schade.
1.1.
De staatssecretaris heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het verzoek op 22 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De staatssecretaris is alleen verplicht verzoeker schade te vergoeden als de staatssecretaris iets heeft gedaan dat onrechtmatig is. Normaal gaat de burgerlijke rechter over schade. Verzoeker heeft zich tot de bestuursrechter gewend. De bestuursrechter kan alleen schadevergoeding toekennen als de schade is veroorzaakt door (de voorbereiding van) een onrechtmatig besluit. Dat staat in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dus dat de bestuursrechter het verzoek van verzoeker pas kan toewijzen als er een onrechtmatig besluit is.
2.1.
De rechtbank begrijpt dat verzoeker in afwachting van zijn asielvergunning in een moeilijke situatie heeft gezeten en dat het voor hem zwaar is geweest. Maar de rechtbank zal verzoeker geen schadevergoeding toekennen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het besluit dat verzoeker ten grondslag legt aan zijn verzoek niet onrechtmatig is. Dat oordeel legt de rechtbank hieronder uit.
Wat ging er aan het verzoek om schadevergoeding vooraf?
3. Verzoeker heeft op 17 juli 2016 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is door de staatssecretaris bij besluit van 23 november 2016 afgewezen. Het beroep dat verzoeker daartegen heeft ingesteld, is door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ongegrond verklaard. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in het hoger beroep is het besluit onherroepelijk geworden. Op 20 januari 2020 heeft verzoeker een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 20 december 2021 ingewilligd, waarbij aan verzoeker een verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met ingang van 20 januari 2020.
3.1.
Bij de aanvraag van 20 januari 2020 heeft verzoeker ook een verzoek om heroverweging van het besluit van 23 november 2016 gedaan. Bij besluit van 4 februari 2022 heeft de staatssecretaris dit verzoek ingewilligd, de besluiten van 23 november 2016 en 20 december 2021 heroverwogen en aan verzoeker een verblijfsvergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, met ingang van 17 juli 2016. Bij besluit van 14 februari 2022 heeft de staatssecretaris deze vergunning verlengd tot 17 juli 2026.
3.2.
Verzoeker heeft op 6 april 2022 bij de staatssecretaris een verzoek om schadevergoeding ingediend als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb. In het besluit van 10 juni 2022 heeft de staatssecretaris het verzoek van verzoeker om vergoeding van materiële en immateriële schade afgewezen.
Welke schade stelt verzoeker te hebben geleden?
4. Verzoeker stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden als gevolg van het onrechtmatige besluit van 23 november 2016, waarbij zijn eerste asielaanvraag was afgewezen. Verzoeker heeft als gevolg van de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag psychische (depressieve) klachten ontwikkeld. Hoewel deze klachten na ontvangst van zijn verblijfsvergunning nagenoeg geheel zijn verdwenen, is nog onzeker in hoeverre sprake is van blijvende psychische schade. Verzoeker heeft verder in deze periode niet kunnen werken of een opleiding kunnen volgen en heeft daardoor inkomsten gemist. Verzoeker komt tot een schadebegroting voor psychisch leed van €20.000,- en een schadebegroting voor gemiste inkomsten van €142.000,-.
Is het besluit van 23 november 2016 onrechtmatig?
5. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat, indien sprake is geweest van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang en deze rechtsgang niet of vergeefs is doorlopen, uitgegaan moet worden van de rechtmatigheid van een besluit. Andersom geldt dat, indien de bestuursrechter een besluit heeft vernietigd, de onrechtmatigheid van het besluit uitgangspunt is. Ook geldt dat indien een bestuursorgaan een besluit intrekt of herroept onder de mededeling dat dit geschiedt omdat het besluit onjuist is, of anderszins erkent dat een besluit onrechtmatig is, de onjuistheid van het besluit tot uitgangspunt kan worden genomen. Indien een zodanige mededeling of erkenning echter niet is gedaan, hangt het van de redenen van de intrekking of herroeping en de omstandigheden van het geval af of dat besluit onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek en, zo ja, of de onrechtmatige daad aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 23 november 2016 in beroep door de rechtbank is beoordeeld en in stand gelaten, en ook in hoger beroep door de Afdeling in stand is gelaten. Evenmin heeft de staatssecretaris bij het heroverwegingsbesluit van 4 februari 2022 expliciet medegedeeld dat deze heroverweging plaatsvond omdat het besluit van 23 november 2016 onjuist was.
5.2.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de staatssecretaris met het inwilligen van het heroverwegingsverzoek op zichzelf erkent dat het eerdere besluit onrechtmatig was. Verzoeker verwijst hierbij naar het Informatiebericht SUA 2018/46, waarin staat dat een heroverwegingsverzoek enkel wordt ingewilligd wanneer achteraf gezien het eerdere besluit op grond van destijds bekende informatie evident onjuist is geweest. Op de zitting heeft de staatssecretaris er op gewezen dat dit informatiebericht op dit punt is verouderd en daarbij verwezen naar het Informatiebericht SUA 2021/104. De staatssecretaris heeft daarbij terecht aangevoerd dat de Afdeling in een uitspraak van 7 juli 2021 heeft geoordeeld dat een verzoek om bestuurlijke heroverweging ook kan leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning met een ingangsdatum vóór de datum van dat verzoek als het eerdere besluit niet evident onjuist was. Hieruit volgt dat het inwilligen van het heroverwegingsverzoek op zichzelf nog niet betekent dat de staatssecretaris de onrechtmatigheid van het eerdere besluit erkent. Dit betoog van verzoeker slaagt daarom niet.
5.3.
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of uit de motivering van de heroverwegingsbeslissing volgt dat het eerdere besluit onrechtmatig was.
5.3.1.
De staatssecretaris voert aan dat het besluit van 23 november 2016 is genomen in lijn met de destijds gehanteerde vaste gedragslijn, zoals goedgekeurd door de Afdeling. Er is geen sprake van de situatie dat het besluit is genomen zonder kennisneming van alle voor de beoordeling daarvan relevante informatie. De heroverweging steunt volgens de staatssecretaris op een aanscherping en verduidelijking van het beleid in aansluiting op de ontwikkeling in de rechtspraak over de beoordeling van bekeringszaken. Dat maakt volgens de staatssecretaris dat met de inzichten van nu en de eisen die nu aan de motivering worden gesteld, aangenomen is dat het besluit van toen nu niet meer als zodanig gemotiveerd kan worden. Op grond van de destijds afgelegde verklaringen én met kennisneming van wat verzoeker bij zijn tweede asielaanvraag naar voren is gebracht, is aangenomen dat verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarbij is bij de heroverweging aan verzoeker het voordeel van de twijfel gegeven en hem met ingang van de datum van de asielaanvraag van 17 juli 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend. Dit maakt volgens de staatssecretaris niet dat het besluit van destijds niet in overeenstemming was met de toen vigerende opvattingen en daarom achteraf als onrechtmatig beschouwd zou moeten worden. Ook benadrukt de staatssecretaris dat geen sprake is van nieuw beleid.
5.3.2.
Verzoeker voert aan dat door hem bij zijn opvolgende asielaanvraag alleen nieuwe informatie is ingebracht die ziet op de ontwikkeling van zijn geloof ná het besluit van 23 november 2016.
Conclusie
6. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Dat oordeel is voldoende voor de conclusie dat de staatssecretaris geen schadevergoeding aan verzoeker hoeft te betalen. Het is daarom niet meer nodig om dat wat verzoeker heeft aangevoerd over het relativiteitsvereiste en over het causaal verband tussen zijn klachten en de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag te bespreken.
7. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Verzoeker krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten en ook krijgt hij het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, voorzitter, en mr. D.J. Post en mr. G.A. van der Straaten, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Rb Den Haag (zp Middelburg) 15 december 2016, AWB 16/27298 (niet gepubliceerd).
ABRvS 17 januari 2017, 201609681/2/V2 (niet gepubliceerd).
HR 26 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9505.
HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1705.
IB 2018/46 Opvolgende aanvraag en verzoeken om herziening.
IB 2021/104 Verzoek om heroverweging in de opvolgende asielaanvraag (n.a.v. ECLI:RVS:NL:2021:1430/1431/1432).
ECLI:NL:RVS:2021:1432.
De staatssecretaris heeft deze motivering gegeven in zijn verweerschrift van 9 september 2022 en op de zitting nader toegelicht.
De staatssecretaris verwijst naar ABRvS 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977.
Zie Hof van Justitie 24 juni 2015, H.T., ECLI:EU:C:2015:413, punt 63.