Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2022:11597
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,309 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/1730
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: A.C. Visser).
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 7 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gehoord via een beeldverbinding op 19 oktober 2022.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. [A], kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat zij met haar partner en twee jonge kinderen inwoont bij haar moeder. Daardoor hebben zij allemaal stress en spanningen. Zij is bang dat zij met haar gezin op straat komt te staan, omdat haar moeder het psychisch niet meer aankan. Verweerder heeft de urgentieverklaring geweigerd, onder meer omdat eiseres geen urgent woonprobleem heeft en de problemen had kunnen voorzien en voorkomen. Eiseres is het hier niet mee eens.
Wat heeft verweerder beslist?
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4:5, aanhef onder b, d, f en l, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019. Het dakloos worden en de (psychische) problemen door het inwonen bij haar moeder leveren geen urgent woonprobleem op. Eiseres kon haar woonprobleem volgens verweerder voorzien. Nadat zij bij haar moeder is gaan inwonen heeft zij haar gezin uitgebreid met twee kinderen. Zij had eerst op zoek kunnen gaan naar een passende woning voordat zij haar gezin ging uitbreiden. Ook is het woonprobleem volgens verweerder ontstaan door haar handelen of nalaten. Zij is vanuit Brazilië naar Nederland gekomen zonder over passende woonruimte te beschikken. Ook kan zij geen urgentieverklaring krijgen omdat zij geen zelfstandige woning heeft. Er is volgens verweerder geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat zij geen urgent woonprobleem heeft. Haar moeder is op leeftijd en heeft tijd en privacy voor zichzelf nodig. Ook kan verweerder haar niet verwijten dat zij nog een kind gekregen heeft. Zij heeft een verblijfplaats gevonden en zelfs dan wordt haar tegengeworpen dat zij niet in een zelfstandige ruimte woont. Zij heeft niet de nodige financiële middelen om particulier te huren. Zij is noodgedwongen bij haar moeder ingetrokken en is in feite dakloos.
De Huisvestingsverordening en het bestreden besluit zijn in strijd met hogere regelgeving, onder meer met de Huisvestingswet, en met de bedoeling van de wetgever. De Huisvestingsverordening is gebrekkig gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft niet bewezen dat hij na invoering van de verordening in 2015 actief bezig is geweest om de problemen op de woningmarkt op te lossen en heeft niet aangetoond dat een nieuwe verordening in 2019 noodzakelijk was. Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Is de Huisvestingsverordening in strijd met de Huisvestingswet?
4. Ten aanzien van de beroepsgronden die namens eiseres zijn aangevoerd over de Huisvestingsverordening, merkt de rechtbank op dat deze overeenkomen met de gronden die de gemachtigde van eiseres en kantoorgenoten van de gemachtigde hebben aangevoerd in eerdere procedures. Nu de rechtbank zich hier al eerder over heeft uitgelaten, volstaat zij met een verwijzing naar eerdere uitspraken.
Is er een urgent woonprobleem?
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de aan hem in de Huisvestingsverordening verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring, gelet op de tekst ervan, een bepaalde mate van beoordelings- en beleidsruimte toekomt. Dit leidt er toe dat de rechtbank het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen heeft als doel de verdeling van de woningvoorraad onder de vele woningzoekenden op een zo rechtvaardig mogelijke manier te regelen. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten. Bij het verlenen van urgentieverklaringen is verweerder gehouden aan de weigeringsgronden uit het opgestelde beoordelingssysteem. Dit beleid is door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is. Het woningtekort is een landelijk probleem en leidt niet tot de conclusie dat verweerder een ruimer beleid zou moeten voeren bij het toekennen van urgentieverklaringen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eiseres niet voor een urgentieverklaring in aanmerking komt, omdat de weigeringsgronden van artikel 4:5, aanhef onder b, d, f en l, van de Huisvestingsverordening van toepassing zijn. Dat de huidige situatie veel stress en spanningen oplevert is vervelend, maar onvoldoende om een urgent woonprobleem aan te nemen. Dat geldt ook voor de mogelijkheid dat zij de woning moet verlaten omdat haar moeder het niet meer aankan. Verder had eiseres haar woonprobleem kunnen voorzien. Verweerder stelt terecht dat zij eerst op zoek had kunnen gaan naar passende woonruimte voordat zij haar gezin uitbreidde. Ook heeft zij er zelf voor gekozen om vanuit Brazilië terug te komen naar Nederland zonder dat zij over passende woonruimte beschikte en is het woonprobleem dus ontstaan door haar handelen of nalaten. Ten slotte woont eiseres nu niet in zelfstandige woonruimte.
Had verweerder toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule?
7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiseres geschetste omstandigheden niet leiden tot onbillijkheden van overwegende aard waardoor verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring te verstrekken. Hierbij is van belang dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een urgent woonprobleem.
Wat is de conclusie van deze uitspraak?
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen urgentieverklaring krijgt. Verweerder hoeft de kosten die eiseres voor deze procedure heeft gemaakt niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, dan kunt u een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Op grond van artikel 4:5 van de huisvestingsverordening weigert verweerder de urgentieverklaring indien naar zijn oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
b. er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem;
[…]
d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien;
[…]
f. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een aan de aanvrager of lid van diens huishouden toe te rekenen handelen of nalaten;
[…]
l. de aanvrager woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6, eerste lid, onder a;
[…].
Op grond van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019.
Zie de uitspraken van deze rechtbank van 14 april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:3481) en 16 februari 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:1045) en de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:4727), 2 november 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:5701) en 1 december 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:5870).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:628).