Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-09-23
ECLI:NL:RBDHA:2022:10434
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,917 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/1396
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2022 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna ook: het Uwv), verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).
Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) over de periode van 2 oktober 2017 tot en met 9 december 2018 herzien en € 27.457,26 van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 12 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat:
- verweerder in de gelegenheid wordt gesteld binnen een week schriftelijk toe te lichten aan de hand van welke regelgeving met eventuele inkomsten van Marktplaats rekening zal worden gehouden bij de vaststelling van de hoogte van eisers WIA-uitkering; en
- eiser in de gelegenheid wordt gesteld om binnen twee maanden een aannemelijke administratie van zijn verkopen op Marktplaats over te leggen.
De rechtbank heeft nadere stukken van partijen ontvangen.
Aan partijen is vervolgens meegedeeld dat de zaak is overgenomen door een andere rechter omdat de rechter die de zaak ter zitting heeft behandeld niet langer bij de rechtbank werkzaam is. Partijen is gevraagd uiterlijk op 31 augustus 2022 te laten weten of zij de eerder gegeven toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht handhaven. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser ontving een WIA-uitkering van verweerder en een bijstandsuitkering van de gemeente Leiden. De gemeente heeft naar aanleiding van anonieme meldingen onderzoek gedaan naar het recht op uitkering. De gemeente heeft van eiser een bedrag aan verstrekte bijstandsuitkering teruggevorderd en hem een boete opgelegd. Verweerder heeft vervolgens informatie van de gemeente gekregen en neergelegd in een onderzoeksrapport van 10 juli 2019. In dat rapport is onder meer geconcludeerd dat eiser in de periode van 2014 tot en met 19 december 2018 advertenties voor onder meer MacBooks en laptops op Marktplaats heeft geplaatst met een totale vraagprijs van € 409.112,27. Als bijlage bij het rapport is een overzicht met gegevens van door eiser te koop aangeboden goederen bijgevoegd. Ook is een gespreksverslag van 5 juli 2019 bijgevoegd waarin onder meer is vermeld dat eiser tegen verweerder heeft verklaard dat hij samen met zijn vrouw MacBooks of laptops heeft opgekocht, gerepareerd en via Marktplaats heeft verkocht en dat hij daarvoor betalingen via de bank dan wel contant ontving. Hij heeft dit niet aan verweerder gemeld omdat hij niet wist dat dit moest. Er is geen administratie bijgehouden en volgens eiser is niet te achterhalen wat hiermee is verdiend.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de WIA-uitkering van eiser herzien over de periode van 2 oktober 2017 tot en met 9 december 2018 en de uitkering die eiser in die periode heeft ontvangen (totaal € 27.457,26, dat is ruim € 1.800,- per maand) teruggevorderd. Eiser heeft zijn inkomsten niet gemeld. Nu hij geen administratie kan overleggen, kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld. Vervolgens is een betalingsregeling van € 5,- per maand vanaf 1 oktober 2019 afgesproken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Eiser voert in beroep aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiser was een aantal maanden niet actief en ontving niet altijd wat hij vroeg. Ook ziet een aantal advertenties op één en hetzelfde artikel, terwijl verweerder iedere advertentie apart telt. Eiser kan zich onvoldoende verdedigen nu verweerder niet duidelijk maakt wat de grondslag is voor de besluitvorming. Bovendien heeft verweerder niet alle informatie waarop de besluitvorming is gebaseerd overgelegd. Verder is de hoorplicht geschonden. Eiser vraagt zich af of de gemeente zomaar informatie mag delen met verweerder en wijst op de uitspraak met vindplaats ECLI:NL:RBDHA:2020:865. Volgens eiser is sprake van schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de beginselen vastgelegd in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
5.1
Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt een verzekerde die een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering.
5.2
Op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet WIA herziet verweerder beschikkingen op grond van deze wet of trekt het dergelijke beschikkingen in indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
5.3
Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA wordt een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het Uwv onverschuldigd is betaald of verstrekt door het Uwv teruggevorderd.
5.4
Op grond van artikel 77, vijfde lid, van de WIA kan verweerder indien daarvoor dringende redenen zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
5.5
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Slechts in uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.
Bij een belastend besluit tot herziening met terugwerkende kracht, rust op verweerder de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - om die feiten aannemelijk te maken.
6. In dit geval heeft eiser niet betwist dat hij inkomsten heeft ontvangen uit de verkoop via Marktplaats. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de verklaringen van eiser en op grond van de overige beschikbare onderzoeksgegevens aannemelijk is geworden dat eiser werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. De hoeveelheid geplaatste advertenties duidt erop dat geen sprake is van incidentele verkopen en past volgens de rechtbank meer bij handel dan hobbymatige verkoop. Gelet op de aard en omvang van de activiteiten op Marktplaats en de lange periode waarin de advertenties zijn geplaatst, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van incidentele of hobbymatige activiteiten. Eiser heeft voorts zelf verklaard dat hij inkomsten uit die werkzaamheden heeft genoten. Door geen melding te maken van deze werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten heeft eiser zijn inlichtingenverplichting op grond van artikel 27 van de Wet WIA geschonden. Het had hem redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat deze werkzaamheden en de inkomsten daaruit van invloed konden zijn op zijn recht op uitkering en de hoogte van de uitkering.
7. Niet in geschil is dat eiser geen administratie heeft bijgehouden en dat hij tot aan de zitting van 18 mei 2021 geen concrete, verifieerbare en relevante gegevens over zijn werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten heeft verstrekt. Eiser heeft aangevoerd dat veel van de geplaatste advertenties dubbel zijn geplaatst en dat hij minder inkomsten heeft verworven dan verweerder aanneemt. Eiser heeft verzocht om dit standpunt nader te mogen uitwerken. Het onderzoek is ter zitting geschorst om eiser daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen en om hem een aannemelijke administratie van zijn verkopen op Marktplaats te laten overleggen. De rechtbank heeft in het proces-verbaal van schorsing vermeld dat, zoals eiser heeft toegelicht, een dergelijke administratie onder meer bestaat uit een opgave wanneer, wat daadwerkelijk is verkocht en aldus wanneer, welke inkomsten hebben plaatsgevonden en voorts dat dit in een reële verhouding zal moeten staan tot de in het dossier aanwezige overzichten van advertenties op Marktplaats. De rechtbank is van oordeel dat met de vervolgens door eiser op 7 juli 2021 overgelegde gegevens onvoldoende aannemelijk is gemaakt wanneer, wat daadwerkelijk is verkocht en welke inkomsten zijn genoten. Het door eiser achteraf geconstrueerde overzicht met de daarin vermelde inkomsten is op geen enkele wijze te controleren, zodat hiermee het ontbreken van een administratie niet is ondervangen. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden op basis van dit overzicht het standpunt te verlaten dat het recht op een WIA-uitkering niet is vast te stellen omdat een deugdelijke administratie ontbreekt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2342.
Zie de uitspraak van de CRvB van 22 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1295.
Zie in dit kader de uitspraak van de CRvB van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1213.