Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-02-08
ECLI:NL:RBDHA:2022:1018
Strafrecht
Raadkamer
1,972 tokens
Dictum
[belanghebbende 1] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat
mr. S.J. Jansen, op het adres [adres] ,
(hierna: de belanghebbende).
Inleiding
Op 18 december 2014 is een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] , onder de belanghebbende in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv, omdat de auto zou bestaan uit meerdere gestolen onderdelen. De rechtbank heeft kennisgenomen van (een deel van) het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014302516.
De officier van justitie heeft een op 12 mei 2015 gedateerde vordering tot onttrekking aan het verkeer ingediend. Volgens de officier van justitie is met betrekking tot de auto een strafbaar feit begaan en is de auto van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Procesverloop
De rechtbank heeft deze vordering op 23 juni 2015 in openbare raadkamer behandeld. De vordering is gelijktijdig behandeld met het beklag van de belanghebbende op grond van artikel 552a Sv. Bij beschikking van 7 juli 2015 heeft de rechtbank de vordering toegewezen en bepaald dat de auto wordt onttrokken aan het verkeer.
Tegen deze beschikking heeft de belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 14 september 2021 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Omdat er geen proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer beschikbaar was, kon niet worden beoordeeld of het cassatiemiddel terecht was voorgesteld.
De rechtbank heeft de vordering op 25 januari 2022 opnieuw in openbare raadkamer behandeld. De vordering is wederom gelijktijdig behandeld met het beklag van de belanghebbende op grond van artikel 552a Sv (RK 15/1274).
De belanghebbende is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet in raadkamer verschenen. Aanwezig was mr. S.J. Jansen. De officier van justitie, mr. J. Boon, is gehoord.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in raadkamer aangevoerd dat de auto niet in zijn geheel kan worden teruggegeven aan de belanghebbende, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Na onderzoek is gebleken dat de beide voorstoelen afkomstig zijn uit een gestolen auto. De belanghebbende en een ander, [naam] , werden verdacht van heling van onder meer die stoelen. De zaak tegen de belanghebbende is geseponeerd, maar [naam] is daarvoor veroordeeld. Nu het gemakkelijk is om die stoelen uit de auto te verwijderen, kan worden volstaan met onttrekking aan het verkeer van alleen die stoelen. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen geldelijke tegemoetkoming aan de belanghebbende dient te worden toegekend voor de stoelen. De belanghebbende heeft deze via Marktplaats gekocht. Als uiteindelijk blijkt dat deze gestolen zijn, dan is het niet de Staat die daarvoor moet opdraaien.
Het standpunt van de belanghebbende
De belanghebbende verzet zich tegen de vordering van de officier van justitie. Hij heeft gesteld dat het ongecontroleerde bezit van de auto zonder de gestolen stoelen niet in strijd is met de wet of het algemeen belang. Hij heeft aangevoerd dat zijn zaak is geseponeerd, omdat er geen bewijs was dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling. De belanghebbende heeft verzocht om de stoelen te demonteren en hem voor de stoelen een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen. Subsidiair heeft de belanghebbende verzocht, indien de gehele auto aan het verkeer zou worden onttrokken, om hem een geldelijke tegemoetkoming voor de gehele auto toe te kennen.
Beoordeling
Onttrekking aan het verkeer
Vaststaat dat de auto eigendom is van de belanghebbende. Uit onderzoek is gebleken dat de twee voorstoelen oorspronkelijk onderdeel zijn geweest van een andere auto, die als gestolen is geregistreerd.
De rechtbank is van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van een voertuig voorzien van gestolen onderdelen in strijd is met het algemeen belang. Door dergelijke voertuigen terug te geven wordt de handel in gestolen voertuigen (en de onderdelen hiervan) in stand gehouden en wordt afbreuk gedaan aan een effectieve bestrijding van die handel. Daarbij komt dat door een gestolen onderdeel te plaatsen in een ander voertuig, de opsporing wordt belemmerd.
Met de auto, waarvan de gestolen stoelen nu onderdeel uitmaken, is een strafbaar feit begaan – zij het niet door de belanghebbende –, te weten heling, en de opsporing van dat feit is met behulp van de auto belemmerd. Dat betekent dat de auto in aanmerking komt voor onttrekking aan het verkeer op grond van artikel 36c, aanhef en onder 2° en 4°, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De vraag is vervolgens of de auto in zijn geheel onttrokken moet worden aan het verkeer, of dat kan worden volstaan met onttrekking van alleen de gestolen stoelen.
De rechtbank overweegt dat een gedeeltelijke onttrekking aan het verkeer onder meer op zijn plaats kan zijn als partijen zich daartegen niet verzetten. Nu de officier van justitie ter zitting heeft gesteld dat de stoelen eenvoudig verwijderd zouden kunnen worden, ziet de rechtbank ruimte om alleen de stoelen aan het verkeer te onttrekken. Het ongecontroleerde bezit van de auto zonder de stoelen is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de wet of het algemeen belang.
De rechtbank zal de vordering dus in zoverre toewijzen en voor het overige afwijzen.
Geldelijke tegemoetkoming
Op grond van artikel 33c, tweede lid, in combinatie met artikel 36b, tweede lid, Sr kan de rechter een geldelijke tegemoetkoming toekennen indien dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie het onttrokken voorwerp toebehoort door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen. Of de eigenaar van een voorwerp door de onttrekking aan het verkeer van zijn eigendom onevenredig wordt getroffen moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder andere worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen en wat de waarde van het onttrokken voorwerp is.
De rechtbank overweegt dat er niets bekend is over de aanschafprijs en de waarde van de stoelen. In raadkamer heeft de advocaat van de belanghebbende desgevraagd daarover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Hoe de onttrekking van de stoelen de belanghebbende raakt in zijn vermogen, kan evenmin worden vastgesteld. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de belanghebbende onevenredig wordt getroffen door de onttrekking van de stoelen aan het verkeer als hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst de vordering van de officier van justitie gedeeltelijk toe en verklaart onttrokken aan het verkeer de twee voorstoelen die gemonteerd zijn in de personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] ;
wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af;
kent aan de belanghebbende geen geldelijke tegemoetkoming toe.
Aldus gedaan te Den Haag door mr. B.W. Mulder, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Scholten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 februari 2022.
ECLI:NL:HR:2021:1247.
Vgl. Hoge Raad 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6178.
Vgl. de conclusie van advocaat-generaal mr. Knigge, ECLI:NL:PHR:2018:13, par. 3.13-3.20.