Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2022-10-03
ECLI:NL:RBDHA:2022:10132
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,793 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.17425
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
Bij besluit van 2 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum eiser]. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 18 december 2021 ingediend.
1.2.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 19 november 2021 illegaal via Italië het grondgebied van de Europese Unie is ingereisd. Op 17 februari 2022 heeft Nederland aan Italië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Italië heeft hierop niet binnen twee maanden gereageerd, hetgeen op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening gelijk staat met aanvaarding van het overnameverzoek.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling.
Beoordeling
3. Eiser betoogt dat verweerder en de Nederlandse rechtspraak een te zware bewijslast hanteren bij de beoordeling van een claim van een asielzoeker dat een overdracht naar een andere EU-lidstaat in het kader van de Dublinverordening onmenselijke of vernederende behandeling tot gevolg heeft. Hij stelt, onder verwijzing naar de Franse en de Engelse versie van de Dublinverordening en de Franse vertaling van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (het arrest Jawo), dat moet worden beoordeeld of er ‘substantiële gronden’ bestaan om aan te nemen dat een asielzoeker een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. De woorden ‘ernstige vrees’ in de Nederlandse versie van (artikel 3, tweede lid van) de Dublinverordening wekken ten onrechte de schijn dat er een hogere bewijslast geldt en zijn niet in de geest van de Dublinverordening, aldus eiser. Eiser heeft er in dit verband ook op gewezen dat minister-president Rutte in zijn persconferentie van 13 mei 2022 heeft aangegeven dat “de situatie in Ter Apel uitermate slecht is en Nederland nauwelijks, nog net, aan de internationale verplichtingen voldoet”. Volgens eiser is hieruit af te leiden dat de minister-president een andere, lichtere maatstaf hanteert, die in eisers optiek meer aansluit bij de authentieke Franse vertaling van het Jawo-arrest.
3.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit uitgelegd dat hij de bevoegdheid om een asielaanvraag inhoudelijk in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in ieder geval gebruikt als er concrete aanwijzingen zijn dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt (zie paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)). Verweerder neemt aan dat een verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt als de betrokkene in die lidstaat een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. In het arrest Jawo zijn de criteria beschreven waarmee lidstaten kunnen beoordelen of tekortkomingen onder artikel 4 van het Handvest vallen. Hiervoor moeten de tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze drempel wordt bereikt, hangt af van alle gegevens van de zaak. Het is aan de betrokkene om concrete aanwijzingen als hiervoor bedoeld aan te dragen, aldus verweerder.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers zaak op bovenstaande wijze heeft beoordeeld. Hoewel eiser kan worden nagegeven dat er een verschil in bewoordingen bestaat tussen de Nederlandse versie van (artikel 3, tweede lid, van) de Dublinverordening en de Franse en Engelse versies daarvan (en de Franse versie van het arrest Jawo), heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor beschreven wijze waarop verweerder in deze zaak heeft beoordeeld of een Dublinoverdracht naar Italië een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM met zich brengt, in strijd is of op gespannen voet staat met de (strekking van de) Dublinverordening en het arrest Jawo. In dit verband is van belang dat eiser zijn stelling dat verweerder een te hoge bewijsmaatstaf hanteert niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld beslissingen of uitspraken uit andere lidstaten (zoals Frankrijk) waaruit blijkt dat de vreemdelingendiensten en/of rechterlijke instanties in die lidstaten lagere eisen aan het bewijs stellen, dan dat verweerder in dit geval heeft gedaan. In dit verband merkt de rechtbank verder op dat het door verweerder in dit geval gehanteerde criterium ‘concrete aanwijzingen’ niet getuigt van een hogere bewijsmaatstaf dan het criterium ‘substantiële gronden’. Eisers verwijzing naar de persconferentie van de minister-president van 13 mei 2022 kan hem niet baten. Voor zover er al juridische waarde toekomt aan de mededelingen tijdens deze persconferentie, is tijdens die persconferentie niet gezegd of geïmpliceerd dat verweerder in Dublinzaken een te hoge bewijsmaatstaf hanteert dan wel anderszins de Dublinverordening niet op juiste wijze toepast.
3.3.
Het onder 3. weergegeven betoog slaagt gezien het voorgaande niet. Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 8 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7517, waarin hetzelfde door de gemachtigde van eiser gevoerde betoog door deze rechtbank en zittingsplaats evenmin is gevolgd.
4. Eiser voert verder aan dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat in Italië sprake is van systematische gebreken in het asielsysteem en de opvangvoorzieningen waardoor hij bij overdracht aan Italië een reëel risico loopt terechtkomt te komen in een situatie van materiële deprivatie. Daarom dient verweerder eisers asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen, aldus eiser. Hij verwijst hiertoe naar verschillende rapporten en stukken en stelt dat verweerder niet blind van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
4.1.
De rechtbank overweegt dat uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraken van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, en 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881, en meer recentelijk nog in de uitspraken van 26 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2738, 6 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:38, 10 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:49, 8 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:376 en 26 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2497, in zaken die gaan over de situatie in Italië voor Dublinclaimanten, geoordeeld dat verweerder (ook) ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Een vergelijkbaar oordeel is gegeven door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het arrest van 23 maart 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519, in de zaak M.T. tegen Nederland, en in het arrest van 27 mei 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0420DEC004110019, in de zaak A.B. tegen Finland.
4.2.
Gezien het voorgaande is het aan de vreemdeling om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdacht aan Italië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de autoriteiten aldaar, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo).
4.3.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Italië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Italiaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eisers stellingen dat hij in Italië zijn vingerafdrukken heeft moeten afstaan op straffe van gevangenisstraf, zonder geïnformeerd te worden over de gevolgen van de Eurodac-registratie en dat hij niet is gewezen op zijn rechtspositie, zijn hiervoor niet voldoende. Nog daargelaten dat hij deze stellingen niet heeft onderbouwd, geldt dat eiser geen asielverzoek in Italië heeft ingediend en niet eerder als Dublinclaimant aan Italië is overgedragen, zodat hij niet uit eigen ervaring kan verklaren over hoe het is om als asielzoeker of Dublinclaimant in Italië te verblijven.
Conclusie
5. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.