Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-06-22
ECLI:NL:RBDHA:2021:7977
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,795 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/5389
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2021 in de zaak tussen
Vereniging Villawijk Parkeiland, te Zoetermeer, eiseres,
(gemachtigden E.A. Koster en R. Sharma-Gopal)
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder
(gemachtigde: J.J. Slump)
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de gemeente Zoetermeer (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van zes Salix alba (wilgen) op het perceel naast de brandweerkazerne aan de [laan] te [plaats] .
Tegen dit besluit heeft eiseres op 16 februari 2020 een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 24 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, conform het advies van de commissie bezwaarschriften.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Bij het primaire besluit heeft verweerder op verzoek van de gemeente Zoetermeer een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit vellen van houtopstand op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De kap houdt verband met de voorgenomen bouw van een islamitisch cultureel centrum op deze locatie. Volgens verweerder weegt het belang van de aanvrager om de bomen te kappen zwaarder dan de waarden die de bomen vertegenwoordigen. Hieraan is het advies van de groenbeheerder ten grondslag gelegd. Voorts heeft verweerder aan de verleende omgevingsvergunning een herplantplicht verbonden, inhoudende dat vergunninghouder binnen één jaar na het kappen van de boom in de nabijheid van de bouwlocatie ter compensatie een aantal bomen moet herplanten volgens een bij de vergunning behorende tekening.
2. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen deze vergunning niet-ontvankelijk verklaard en dit bezwaar dus niet inhoudelijk beoordeeld. Volgens verweerder kan een betrokkene slechts als belanghebbende worden aangemerkt bij de verlening van een kapvergunning indien deze op geringe afstand van de bo(o)m(en) woont, of vanuit zijn woning daarop zicht heeft (het zogenoemde afstands- en zichtcriterium). De woonbuurt waar de leden van eiser wonen is op een te grote afstand gesitueerd van het gedeelte van de [laan] waar de te kappen bomen staan. Voorts is de omstandigheid dat één van de leden van eiser vanuit de zolderetage zicht heeft of mogelijk kan hebben op de bomen evenmin voldoende om te spreken van een belang dat rechtstreeks bij het primaire besluit betrokken is.
3. Eiseres stelt in beroep dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat de vereniging blijkens de statutaire doelstellingen belanghebbende is en dat wordt voldaan aan het afstands- en zichtcriterium.
4. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar vaste rechtspraak, dat in de regel bij een besluit tot verlening van een kapvergunning (oftewel een vergunning voor de activiteit ‘het vellen van houtopstand’) slechts degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van - in dit geval de kap - in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Dit betreft factoren zoals de afstand tot en het zicht op het object dat onderwerp is van de vergunning, ofwel de planologische uitstraling en de milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Voorts volgt uit de rechtspraak dat indien er vanuit de woning wel zicht is op de (stam van de) te kappen boom maar deze boom niet is te onderscheiden van het omliggende groen, geen belanghebbendheid wordt aangenomen.
5. De te kappen wilgen zijn gelegen aan de [laan] , naast de brandweerkazerne. De afstand tussen de woningen, waarvan de eigenaren zijn verenigd in eiseres, en de bomen is niet precies berekend door partijen. Verweerder heeft de afstand op meer dan 300 meter geschat. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat die schatting onjuist is. Voorts heeft verweerder zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de meeste leden vanwege bebouwing tussen de woningen en de te kappen bomen geen zicht hebben op de bomen. Voor zover E.A. Koster vanaf de zolderetage van zijn woning mogelijk enig zicht heeft op de bomen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van zicht van enige betekenis, mede gelet op de afstand tot de bomen. Het betoog van eiseres dat voldaan is aan het afstands- en zichtcriterium vanwege het toekomstig uitzicht op het islamitisch cultureel centrum, dat hoger zal zijn dan de nu aanwezige bomen en beschoeiing, leidt niet tot een ander oordeel. De bouw van dit centrum en de omvang ervan zijn immers nu niet in geschil.
6. Gelet hierop is eiseres geen belanghebbende bij het vergunnen van de activiteit ‘vellen van houtopstand’. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.
7. Voor en proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Lemmen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie als voorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3258.
Zie als voorbeeld de uitspraak van AbRvS van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737.
Zie als voorbeeld de uitspraak van de AbRvS van 11 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV0559.