Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-06-29
ECLI:NL:RBDHA:2021:6932
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,715 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam, locatie Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/4265
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen
[naam eiser], eiser,
V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. J.L. Hofdijk,
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde mr. L.T. Krabbenborg.
Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [naam referent] (referent) ten behoeve van eiser tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning voor het doel ‘verblijf als familie – of gezinslid bij schoonzoon op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’ afgewezen.
Bij besluit van 15 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 22 mei 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht strekkende tot het hem beschouwen als ware hij in het bezit is van een geldige verblijfstitel.
Eiser heeft op 29 juni 2020 het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.
Eiser heeft op 11 april 2021 nadere stukken overgelegd
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en heeft de Amerikaanse nationaliteit. Eiser is de (schoon)vader van [naam 1] en referent. [naam 1] en referent zijn getrouwd. Eiser beoogt verblijf bij referent en zijn meerderjarige dochter in Nederland. De in deze zaak voorliggende aanvraag heeft referent ingediend op 16 juli 2019.
Ook heeft eiser op 20 mei 2020 een aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met de beperking ‘tijdelijk humanitaire gronden – verblijf van vreemdelingen die zich in de terminale fase van een ziekte bevinden’ ingediend. Deze aanvraag is bij beschikking van 2 september 2020 afgewezen. Verweerder heeft het hiertegen ingestelde bezwaar bij beschikking van 7 april 2021 gegrond verklaard en alsnog aan eiser een reguliere verblijfsvergunning met de beperking ‘tijdelijk humanitaire gronden – buiten schuld’ verleend van 23 maart 2021 tot 23 maart 2022.
Het bestreden besluit
2. Naar de opvatting van verweerder in het bestreden besluit is niet gebleken dat tussen eiser en zijn dochter en referent sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser en zijn dochter reeds 25 jaar niet meer samenwonen. De enkele door de gezondheidssituatie van eiser ingegeven mantelzorgbehoefte levert geen beschermingswaardig gezinsleven op. Bovendien kunnen de twee in respectievelijk Amerika en Japan woonachtige zonen ook eiser opvangen en verzorgen. Daarom komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning.
Procesbelang
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van voorliggend beroep. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de Afdelingsuitspraak van 9 mei 2018 (ECLI:NL: RVS:2018:1611) volgt dat bij geschillen over de verlening van een verblijfsvergunning regulier, terwijl de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van een hem verleende verblijfsvergunning, procesbelang in beginsel gegeven is, indien de te verlenen verblijfsvergunning andere rechtsgevolgen of een eerdere ingangsdatum heeft dan de reeds verleende en die vreemdeling daardoor in een gunstiger positie zou kunnen geraken. Door verlening van de hem gewenste verblijfsvergunning kan eiser in een gunstigere positie komen doordat dit verblijfsrecht wordt verleend voor een langere duur en met een eerdere ingangsdatum. Het beroep is dan ook ontvankelijk.
Toetsingskader
4.1.
Op grond van artikel 16, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.
4.2.
Op grond van paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals deze luidde ten tijde van het bestreden besluit, neemt de IND familie – of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan tussen meerderjarigen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak kunnen bij de beoordeling of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie elementen van belang zijn zoals financiële of materiële afhankelijkheid, de gezondheid van een van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst (bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003). Bij de beoordeling van deze band mag verweerder zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat ook andere familieleden of derden de benodigde zorg kan geven.
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
5. Eiser voert aan dat er wel degelijk sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en referent. Uit de brief van de internist [naam 2] van 20 maart 2020 blijkt dat hij een kwetsbare oudere man is met vergevorderde dementie en dat hij volledig zorgafhankelijk is. Eiser voert verder aan dat referent en zijn dochter de enige zijn die de benodigde dagelijkse (mantel)zorg kunnen verlenen. Daarbij wijst eiser op de beschikkingen van de kantonrechter van 4 juni 2020 waaruit volgt dat referent en zijn dochter zijn benoemd tot eisers bewindvoerders en mentoren. Ook wijst eiser op de beschikking van verweerder van 7 april 2021 waaruit blijkt dat hij door de vergunningverlening humanitair tijdelijk voor een jaar gebonden is aan Nederland.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat pas op 23 maart 2021 is gebleken, uit de verklaring van de internist, dat de gezondheidstoestand van eiser zodanig is dat hij niet zonder gevolgen daarvoor terug kan keren naar Amerika. Dat betekent volgens verweerder dat pas vanaf dat moment duidelijk was dat eiser zeer waarschijnlijk aan Nederland gebonden zal blijven en dan is aangewezen op mantelzorg van zijn dochter en schoonzoon. Ook de beschikkingen van de kantonrechter van 4 juni 2020 dateren van na het bestreden besluit en kunnen dus niet bij de beoordeling daarvan worden betrokken.
7. De vraag die moet worden beantwoord is of eiser zodanig zorgbehoevend is dat hij zich niet zelfstandig kan handhaven en meer dan gebruikelijk afhankelijk is van de zorg van zijn dochter en schoonzoon.
7.1.
Bij de beoordeling van het beroep moet de rechtbank rekening houden met feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. Daaraan staat niet in de weg dat die feiten en omstandigheden eerst in beroep worden aangevoerd of onderbouwd (zie de Afdelingsuitspraken van 18 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4688 en van 22 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3955). De in beroep ingebrachte brief van de internist van 20 maart 2020 en het eveneens in beroep ingebrachte verzoek van referent en de dochter van 21 februari 2020 tot benoeming van eisers bewindvoerders en mentoren kunnen worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van een omstandigheid die zich voordeed ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar, omdat beide ook zien op de situatie zoals die zich op dat moment al was.
7.2.
Verweerder mag bij de beoordeling betrekken dat er andere familieleden aanwezig zijn in het land van herkomst die de benodigde zorg kunnen bieden. Dat is in dit geval niet aannemelijk. Vast staat dat eiser nog een zoon in de Verenigde Staten heeft wonen. Ter zitting is uitgelegd dat eiser dusdanig dementerend is dat hij vooral op bed ligt, eigenlijk bij van alles en nog wat geholpen moet worden en dat dat voor dochter en schoonzoon een zware belasting is, die zij niettemin op zich nemen. Aangegeven is ook dat de zoon in de Verenigde Staten zowel gezien zijn huisvesting als zijn privéomstandigheden - hij moet werken om financieel het hoofd boven water te houden en kan dus niet die doorlopende begeleiding bieden die eiser eigenlijk behoeft - wat die zorg betreft geen reële mogelijkheid is. Of voor iemand die gevorderd dement is in de Verenigde Staten snel en betaalbaar externe zorg kan worden ingekocht is ook maar zeer de vraag. Als er in het land van herkomst wel een goed alternatief voorhanden zou zijn mag dat in de afweging overigens worden meegenomen, maar niet doorslaggevend zijn. Gezien de situatie waarin eiser zich nu bevindt had – subsidiair - die afweging dan toch in eisers voordeel moeten uitkomen.
Inmenging
8. Eiser voert aan dat de weigering van verweerder om de voorliggende aanvraag in te willigen een inmenging in zijn gezinsleven met referent en de dochter oplevert.
9.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 juni 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.