Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2021:4090
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bodemzaak
2,622 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL21.2393 en NL21.3170
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2021 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Op 17 februari 2021 en 3 maart 2021 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Overwegingen
Waarover gaat deze uitspraak?
1. Deze uitspraak gaat over de opvolgende beroepen die eiser heeft ingesteld omdat verweerder nog altijd niet heeft beslist op de aanvraag van eiser.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Eiser heeft op 21 oktober 2018 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft eerder op 28 mei 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft bij uitspraak van 17 augustus 2020 dit beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om eiser binnen acht weken te horen en binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit te nemen op de aanvraag. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat wanneer verweerder hier niet aan voldoet, hij vanaf 12 oktober 2020 een dwangsom van € 100,- per dag verbeurt, met een maximum van € 7.500,-.
3. Eiser heeft op 17 februari 2021 een opvolgend beroep ingesteld, met zaaknummer NL21.2329, omdat hij van mening was dat de maximale dwangsom die de rechtbank in de uitspraak van 17 augustus 2020 had opgelegd, was verbeurd zodat een nieuwe uitspraak van de rechtbank nodig was. Verweerder heeft in reactie daarop betoogd dat die termijn op 17 februari 2021 nog niet was verstreken, en dat het opvolgende beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moest worden. Voor de zekerheid heeft eiser op 3 maart 2021 nogmaals een opvolgend beroep ingediend, met zaaknummer NL21.3170.
4. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
Is het beroep van eiser geregistreerd onder zaaknummer NL21.2393 ontvankelijk?
5. Niet in geschil is dat eiser slechts opnieuw beroep kon instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit, als de periode dat verweerder dwangsommen verbeurde op grond van de eerdere uitspraak van 17 augustus 2020 was verstreken. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of die periode al was verstreken toen eiser op 17 februari 2021 zijn nieuwe beroep indiende.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van 17 augustus 2020 als volgt is overwogen:
“De rechtbank ziet aanleiding om verweerder een termijn van acht weken te geven om
een eerste gehoor af te nemen en vervolgens een termijn van acht weken te geven om na het
eerste gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken. De rechtbank verwijst in dit
verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de
Afdeling) van 8 juli 2020.”
5.2.
Verweerder betoogt dat dit aldus moet worden uitgelegd dat hij uiterlijk binnen 8 weken na 17 augustus 2020, dus uiterlijk op 12 oktober 2020 een eerste gehoor had moeten laten plaatsvinden. Dat heeft hij niet gedaan zodat daarna een dwangsom van € 100,- per dag is verbeurd. Het eerste gehoor heeft uiteindelijk op 9 november 2020 plaatsgevonden. Naar de rechtbank begrijpt was dit 28 dagen te laat, zodat om deze reden € 2.800,- verbeurd is. Volgens verweerder had hij vanaf de dag van het eerste gehoor weer 8 weken om een besluit te nemen. Uiterlijk op 4 januari 2021 had hij dus een besluit moeten nemen. Nu hij dat niet heeft gedaan is met ingang van 5 januari 2021 weer een dwangsom verbeurd. Dit alles maakt dat 47 dagen later, dus pas op 20 februari 2021, de maximale dwangsom is volgelopen. Het beroep van 17 februari 2021 dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.3.
Eiser daarentegen betoogt dat de uitspraak van 17 augustus 2021 aldus moet worden uitgelegd dat verweerder uiterlijk binnen 8 weken een gehoor moest laten plaatsvinden en uiterlijk binnen 16 weken een besluit moest nemen. Dit houdt in dat het besluit uiterlijk op 7 december 2020 had moeten worden genomen zodat, naar de rechtbank begrijpt, de maximale dwangsom al op 23 januari is volgelopen.
5.4.
De rechtbank overweegt dat de formulering van de begunstigingstermijn in de uitspraak van 17 augustus 2020 ruimte laat voor beide lezingen. Uit die uitspraak volgt echter ook dat de rechtbank uitvoering heeft willen geven aan het 8+8 weken model zoals dat door de Afdeling in de genoemde uitspraak van 8 juli 2020 is gehanteerd. In die uitspraak heeft de Afdeling als volgt overwogen:
“2. De staatssecretaris klaagt in drie grieven dat de rechtbank hem ten onrechte geen acht weken heeft gegeven voor alleen het houden van een eerste gehoor. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) heeft in een uitspraak van 14 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12133, de nadere termijn voor het houden van een eerste gehoor gesteld op acht weken na die uitspraak, en opgedragen in elk geval binnen zestien weken na die uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Dit strookt met zijn uitvoeringspraktijk, aldus de staatssecretaris. De staatssecretaris acht een dergelijke opdracht, hierna aangeduid als het 8+8-wekenmodel, passend.
(…)
4.2. (…)
Gelet op de onder 4.1 weergegeven onderbouwing door de staatssecretaris en het in aanmerking nemen van een korte periode van maximaal twee weken die gemoeid zal zijn met het opstellen van de concept-planning, acht de Afdeling het 8+8-wekenmodel passend. Het geeft ruimte na het eerste gehoor zorgvuldig onderzoek te doen, en het verzekert dat als de staatssecretaris de aanvraag wil afwijzen de vreemdeling op de voorgeschreven wijze een zienswijze kan indienen.”
5.5.
Hieruit volgt dat, waar de Afdeling spreekt van een 8+8 wekenmodel, bedoeld wordt dat de nadere termijn voor het houden van een eerste gehoor wordt gesteld op acht weken na de uitspraak, en opgedragen wordt in elk geval binnen zestien weken na die uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Nu de rechtbank hierbij heeft willen aansluiten in de uitspraak van 17 augustus 2020, is de lezing van eiser de juiste. De maximale dwangsom van € 7.500,- is dus al op 23 januari 2021 volgelopen. De rechtbank kan zich daarom over het beroep tegen het niet tijdig beslissen van 17 februari 2021 uitspreken.
Is het beroep van eiser gegrond?
6. Verweerder heeft niet tijdig beslist op de aanvraag van eiser, de eerder maximale dwangsom is volgelopen en verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen. Het beroep is dus gegrond.
Welke termijn of andere voorziening wordt aan verweerder opgelegd?
7. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
7.1.
Uit de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 april 2019, 14 november 2019, 3 juli 2020 en de genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 volgt dat sprake is van een bijzonder geval. Verweerder heeft in dit geval echter al een keer 8+8 weken gekregen om alsnog te beslissen en de rechtbank stelt vast dat eiser op 9 november 2020 is gehoord en op 11 november 2020 heeft er een nader gehoor plaatsgevonden. Pas in het verweerschrift van 3 maart 2021 heeft verweerder aangegeven dat eiser op 29 maart 2021 uitgenodigd is voor een aanvullend gehoor. In aanmerking genomen dat de beslistermijnen al lang zijn verstreken en sinds het aangekondigde aanvullende gehoor van 29 maart 2021 inmiddels ook al weer twee weken zijn verstreken, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder inmiddels beschikt over alle gegevens die nodig zijn om een beslissing te nemen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep, geregistreerd onder zaaknummer NL21.3170, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep, geregistreerd onder zaaknummer NL21.2393 gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op om uiterlijk binnen een week na heden een voornemen tot afwijzing dan wel een inwilligend besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen;
draagt verweerder op om, indien een voornemen tot afwijzing wordt uitgebracht, uiterlijk binnen 6 weken na heden op de aanvraag van eiser te beslissen;
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee hij een van de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- en;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Özel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Zaaknummer: NL20.11533 (niet gepubliceerd).
ECLI:NL:RVS:2020:1560.
ECLI:NL:RBDHA:2019:3262, ECLI:NL:RBDHA:2019:12133, ECLI:NL:RBDHA:2020:6088 en ECLI:NL:RVS:2020:1560.