Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-01-13
ECLI:NL:RBDHA:2021:226
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,456 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Team Bestuursrecht 3
zaaknummer: AWB 19/8482, V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
gemachtigde: mr. P. Scholtes,
en
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. R. Radema.
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 5 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser opgelegde ongewenstverklaring opgeheven en het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook zijn verschenen [naam echtgenote eiser] , [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] , de echtgenote en kinderen van eiser. Als tolk is verschenen T. Coric . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum eiser] en is burger van Bosnië-Herzegovina. Op 30 april 1992 is hij gehuwd met [naam persoon] (na het huwelijk: [naam echtgenote eiser] , de moeder).
Eiser beoogt verblijf bij zijn minderjarige zoon [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2004 te [geboorteplaats kind 1] (referent). Referent, die ten tijde van het bestreden besluit 15 jaar oud was, en zijn moeder bezitten de Nederlandse nationaliteit. Eiser beroept zich op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354 (arrest Chavez-Vilchez).
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het arrest Chavez-Vilchez. Weliswaar verricht eiser vanaf het begin van het schooljaar van [naam kind 1] , halverwege 2018, zorg- en opvoedingstaken ten behoeve van [naam kind 1] , maar hij heeft niet aangetoond, en ook is niet gebleken, dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [naam kind 1] dat [naam kind 1] gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie (EU) te verlaten, indien aan eiser geen verblijfsrecht in Nederland wordt toegestaan. Volgens verweerder voldoet eiser niet aan voorwaarde d. van paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3. Eiser voert, samengevat, het volgende aan. Verweerder heeft de hoorplicht geschonden door van horen in bezwaar af te zien. Verder heeft verweerder ten onrechte getoetst aan het strengere beleid in paragraaf B10/2.2 van de Vc zoals dat sinds de wijziging met ingang van 1 juli 2018 (WBV 2018/4) luidt, in plaats van het gunstiger beleid (WBV 2017/9) zoals dat gold ten tijde van de aanvraag. Eiser voert verder aan dat met de door hem overgelegde stukken de afhankelijkheidsverhouding tussen hem en [naam kind 1] wel degelijk is aangetoond. Aangenomen kan worden dat als [naam kind 1] van zijn vader zou worden gescheiden dit zijn weerslag zal hebben op de emotionele ontwikkeling van [naam kind 1] en een risico doet ontstaan voor het emotionele evenwicht van [naam kind 1] . Daarnaast doet eiser een beroep op het handelingsprotocol over de samenwerking tussen de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Volgens eiser had verweerder de RvdK moeten verzoeken een rapport op te stellen over de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [naam kind 1] .
Ook betoogt hij dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in het kader van deze procedure geen beroep kan doen op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aldus eiser.
4. Voor de beoordeling is het volgende juridische kader relevant.
4.1.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw verschaft verweerder aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1 van de Vw, een document of schriftelijke verklaring waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.
4.2
Arrest Chavez-Vilchez
Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat EU-burgers het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van EU-burger ontleende rechten. Een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kinderen, die staatsburger zijn van die lidstaat en te zijnen laste komen, verblijven.
Uit de rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest Chavez-Vilchez volgt dat de vreemdeling die een op artikel 20 van het VWEU gebaseerd afgeleid verblijfsrecht wenst te verkrijgen gegevens moet overleggen waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan dit artikel ontleent. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat, dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Als aan die voorwaarde is voldaan, heeft de vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht.
4.3.
Beleid van verweerder
Verweerder heeft naar aanleiding van het arrest Chavez-Vilchez bij WBV 2017/9
(Stct. 2017, 53847) het beleid in paragraaf B10/2.2 van de Vc veranderd. Met inwerkingtreding op 1 juli 2018 van WBV 2018/4 (Stct. 2018, 36067) heeft verweerder dit beleid opnieuw aangepast. Dit laatste beleid luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Een vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, van de Vw als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. (…)
b. (…)
c. de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind; en
d. tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.
Ad d.
Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd, betrekt de IND, in het hogere belang van het kind, alle relevante omstandigheden, meer in het bijzonder:
• de leeftijd van het kind;
• zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling; en
• de mate van zijn affectieve relatie zowel met de Nederlandse ouder als met de vreemdeling, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van deze laatste zou worden gescheiden.
4.4.
De voorwaarden om in aanmerking te komen voor het in artikel 20 van het VWEU bedoelde afgeleide verblijfsrecht vloeien rechtstreeks uit de rechtspraak van het Hof voort, waaronder het arrest Chavez-Vilchez. De beoordeling of een vreemdeling een dergelijk, declaratoir, verblijfsrecht heeft, dient verweerder daarom te verrichten aan de hand van die rechtspraak. Voor zover een in beleid gegeven uitleg niet of minder goed aansluit bij die rechtspraak van het Hof, kan verweerder er niet toe worden verplicht dat beleid toe te passen. Verweerder is immers niet bevoegd een declaratoir verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU vast te stellen als dat niet daadwerkelijk bestaat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1235).
5. Het in deze zaak geldende beleid
Het betoog van eiser dat verweerder de aanvraag aan het oude, gunstiger beleid (WBV 2017/9) had moeten toetsen, in plaats van het met ingang van 1 juli 2018 (WBV 2018/4) geldende strengere beleid, slaagt niet. In de hiervoor vermelde uitspraak van 20 mei 2020 heeft de Afdeling namelijk geoordeeld dat verweerder met de aanpassing in WBV 2018/4, het beleid meer in lijn heeft gebracht met het arrest Chavez-Vilchez.
6. Afhankelijkheidsverhouding en evenwicht
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in ieder geval sinds medio 2018 met [naam kind 1] en diens moeder woont aan de [adres] in Rotterdam. Ook is niet in geschil dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor [naam kind 1] .
Beoordeling
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde stukken voldoende inzicht gegeven in (a) de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van [naam kind 1] , (b) de mate van affectieve relatie tussen eiser en [naam kind 1] en (c) de risico’s voor het evenwicht van [naam kind 1] , als aan zijn vader geen verblijfsrecht in Nederland zou worden toegekend. Door deze aspecten en het hogere belang van [naam kind 1] niet kenbaar bij zijn beoordeling te betrekken, heeft verweerder niet gehandeld in overeenstemming zijn beleid als neergelegd in paragraaf B10/2.2 van de Vc en kan verweerder ook niet worden gevolgd in zijn oordeel dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez.
De beroepsgrond slaagt.
Of verweerder de RvdK had moeten verzoeken om een rapport op te stellen over de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [naam kind 1] laat de rechtbank in het midden.
Het is aan verweerder om in het kader van de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar te beoordelen of het aanvragen van een rapport van de RvdK noodzakelijk of gewenst is.
7. Artikel 8 EVRM
Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM slaagt niet. De afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw heeft geen verdere strekking dan dat het bestaan van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt bevestigd. Een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez strekt ook niet tot bescherming van het recht van de onderdaan van een derde land op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, maar alleen tot bescherming van de rechten van de Unieburger (referent) om vrijelijk gebruik te maken van diens rechten ontleend aan het Unieburgerschap. De beoordeling van een beroep op artikel 8 van het EVRM kan daarom nooit leiden tot het gevraagde document. Als eiser zijn aanspraak op verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM beoordeeld wenst te zien, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen (vergelijk onder meer rechtsoverweging 5.1. van de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3755 en rechtsoverweging 5.1. van de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:179).
8. Hoorplicht
Gelet op hiervoor onder 6.1 is overwogen slaagt deze beroepsgrond eveneens. Van een kennelijk ongegrond bezwaar in de zin van artikel 7:3, aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in dit geval immers geen sprake.
9. Het beroep wordt dus gegrond verklaard.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 174,- moet vergoeden.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.068,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J. Eertink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2021.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.