Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2021-04-14
ECLI:NL:RBDHA:2021:16533
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,422 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Locatie Amersfoort
Bestuursrecht zaaknummer: NL21.4015
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Yousef), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G. Cambier ).
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.4016, plaatsgevonden op 30 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw L. Altaee. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. In dit geval heeft verweerder op 4 januari 2021 een overnameverzoek naar Italië verstuurd. Italië heeft hier niet tijdig op gereageerd, waardoor het (fictieve) claimakkoord op 5 maart 2021 vast is komen te staan.
2. Allereerst voert eiser aan dat verweerder het verwijderingsbesluit dat eiser van de Italiaanse autoriteiten heeft ontvangen niet heeft laten vertalen. Bovendien heeft verweerder naar dit besluit verwezen in het overnameverzoek zonder er voldoende kennis van te nemen. Verweerder had naar aanleiding van het document aanvullende garanties moeten vragen aan Italië zodat eiser de mogelijkheid zal krijgen om asiel aan te vragen en niet zal worden uitgezet naar Syrië. Uit eigen vertaling blijkt namelijk volgens de gemachtigde van eiser uit
dit document dat hij geen asiel mag aanvragen, het risico loopt om in detentie te worden geplaatst, of dat hem een geldboete zal worden opgelegd en dat hij direct zal worden uitgezet naar Syrië.
3. Italië garandeert met het (fictieve) claimakkoord dat het asielverzoek van eiser in behandeling zal worden genomen en dat zijn situatie zal worden beoordeeld in lijn met de verdragsverplichtingen en verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. De garantie van de lidstaat om het asielverzoek in behandeling te nemen omvat ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd met het verbod van réfoulement zal zijn. Uit eisers verklaring blijkt dat hij dit document heeft gekregen nadat hij Italië illegaal was binnen gereisd en daar aan de autoriteiten had laten weten geen asiel te willen aanvragen. De aanzegging tot vertrek die eiser van de Italiaanse autoriteiten heeft ontvangen staat echter niet in de weg aan het in behandeling nemen van een in te dienen asielverzoek zoals dat nu gegarandeerd wordt met het fictieve claimakkoord. Reeds daarom was een vertaling daarvan niet noodzakelijk. Verweerder had in dit kader daarom geen aanvullende garanties hoeven te vragen.
4. Eiser voert aan dat het fair-play beginsel is geschonden, omdat het voornemen prematuur zou zijn uitgebracht. Volgens eiser had verweerder moeten wachten met het voornemen totdat het claimakkoord met Italië was komen vast te staan. Daarnaast heeft eiser door het vroegtijdig uitbrengen van het voornemen niet eens de gelegenheid gehad om medische stukken op te vragen en te overleggen.
5. De rechtbank stelt vast dat het uiteindelijke bestreden besluit ruim na het fictieve akkoord is genomen. Bij die beslissing is alles wat door eiser is aangevoerd over zijn medische situatie betrokken. De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel zich er tegen verzet dat verweerder een voornemen uitbrengt voordat een claimakkoord daadwerkelijk tot stand is gekomen.1 Ook maakt het voornemen duidelijk op welke grondslag verweerder de claim heeft gedaan bij Italië. Eiseres kon daartegen in de zienswijze dus opkomen. Daar komt bij dat relevante ontwikkelingen na een voornemen kunnen worden gewogen door verweerder en meegenomen in de besluitvorming en het besluit. Van benadeling is daarom geen sprake.
6. Namens verzoeker is aangevoerd dat hij een kwetsbaar persoon is en dat hij specialistische medische behandeling ondergaat en ook in die toekomst nodig heeft. In dat kader is verwezen naar de vijf afspraken die hij heeft gehad bij de poli radiologie en urologie, de afspraak om zijn nierstenen te laten vergruizen, als ook twee afspraken op dezelfde poli’s die op 20 april 2021 gepland staan. In dat kader voert hij aan dat verweerder ten onrechte deze medische informatie niet heeft gedeeld met Italië bij het overnameverzoek en dat verweerder dus ook ten onrechte niet om aanvullende garanties heeft gevraagd. Ook doet eiser een beroep op het C.K. arrest en stelt hij dat er overdrachtsbeletselen zijn. Tot slot voert hij aan dat er gelet op zijn kwetsbare situatie er bij overdracht, mede door de lockdown en de pandemie, een situatie zal ontstaan van schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
1. Zie ook de uitspraken van rechtbank Den Haag van 11 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7720 en 1 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3019.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op het arrest Tarakhel niet slaagt, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in dit arrest. De enkele omstandigheid dat hij medische problemen heeft en hiervoor behandelingen ondergaat in het ziekenhuis is hiervoor onvoldoende. Verweerder was dan ook niet gehouden om aanvullende individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten te vragen om een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te voorkomen. Daarnaast heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening waardoor de overdracht op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand kan inhouden. Het enkele feit dat eiser afspraken heeft bij de eerder genoemde poliklinieken in verband met nierstenen is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K.
8. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mag. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd.
9. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan voor zogeheten Dublinclaimanten. Het is in dat geval aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Hierin is eiser niet geslaagd. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Italië geen medische behandeling zal kunnen verkrijgen, mocht hij dat nodig hebben. Verweerder betoogt verder terecht dat er geen aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Daarnaast mag verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit gaan dat de medische behandelingsmogelijkheden in Italië gelijkwaardig zullen zijn.
10. Tot slot voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de stukken met betrekking tot de familierechtelijke relaties van eiser niet in beschouwing heeft genomen. Eiser heeft de vertaling van de stukken op 24 maart 2021 overgelegd en deze dienen betrokken te worden bij de zaak. Eiser doet daarbij een beroep op artikel 9 van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
11. Op grond van artikel 9 van de Dublinverordening is de lidstaat waar een gezinslid van een verzoeker is toegelaten als persoon die internationale bescherming geniet voor verblijf, verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek van deze verzoeker. De schoonfamilie waar eiser naar refereert valt niet onder het begrip "gezinsleden" uit artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. Het beroep op artikel 9 van de Dublinverordening slaagt dan ook niet.
12. Verweerder had in dit geval eerder kunnen aangeven dat schoonfamilie niet valt onder de definitie van “gezinsleden” in de zin van de Dublin verordening en dat een vertaling van de stukken die eiser wilde inbrengen dus niet relevant voor de procedure zou zijn.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 april 2021
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.